Home > Opvang & OCMW & Sociale zekerheid > OCMW-steun > Maatschappelijke dienstverlening

Print deze pagina

OCMW-steun

Maatschappelijke dienstverlening

 

Vreemdelingen die wettig in België verblijven en niet in staat zijn menswaardig te leven, kunnen aanspraak maken op maatschappelijke dienstverlening vanwege het OCMW. Voor Unieburgers en hun familieleden en voor familieleden van Belgen geldt een tijdelijke uitsluiting. Financiële steun is de meest courante vorm van maatschappelijke dienstverlening. In bepaalde gevallen kan een beroep op maatschappelijke dienstverlening leiden tot verlies van het verblijfsrecht.

 

 

 

 

Rechthebbenden

 

Personen die niet voldoen aan de toekenningvoorwaarden van het leefloon kunnen - in geval van behoeftigheid - recht hebben op maatschappelijke dienstverlening. M.b.t. vreemdelingen zal het vaak gaan om personen die de nationaliteitsvoorwaarde van de RMI-wet niet vervullen.

 

Voor Unieburgers en hun familieleden en voor familieleden van Belgen geldt een tijdelijke uitsluiting van het recht op maatschappelijke dienstverlening.

 

Maatschappelijke dienstverlening kan ook als aanvulling op het leefloon worden toegekend wanneer het bedrag van het leefloon de betrokkenen niet in staat stelt een menswaardig leven te leiden.

 

Hoewel de wet enkel behoeftigheid als voorwaarde stelt, moet de betrokkene in de praktijk aan onderstaande voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor maatschappelijke dienstverlening.

 

  • Onmogelijkheid tot een menswaardig leven

Ieder die niet in staat is een menswaardig leven te leiden, heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Het OCMW beoordeelt autonoom bij iedere aanvraag d.m.v. een sociaal onderzoek of iemand in de onmogelijkheid verkeert om menswaardig te leven.

 

Het OCMW kan de aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening op dit punt alleen weigeren als de hulpvrager zélf in staat is om in een inkomen te voorzien dat hem toelaat menswaardig te leven of als hij over voldoende inkomsten beschikt. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met de inkomsten van alle andere gezins- of familieleden die onder hetzelfde dak wonen.

 

Top

  • Wettig verblijf

Maatschappelijke dienstverlening veronderstelt wettig verblijf (art. 57,§2 OCMW-wet).

 

Zijn ondanks hun wettig verblijf uitgesloten van het recht op maatschappelijke dienstverlening:

  • Vreemdelingen gedurende een kort verblijf.
  • Unieburgers en hun familieleden die een verblijf van meer dan drie maanden hebben aangevraagd gedurende de eerste drie maanden (termijn van drie maanden te rekenen vanaf de bijlage 19/19ter).
  • Unieburgers en hun familieleden hebben geen recht op aanvullende steun bovenop het leefloon voordat zij een duurzaam verblijfsrecht (E+/F+ kaart) bekomen hebben.
  • Familieleden van Belgen die een verblijf van meer dan drie maanden hebben aangevraagd gedurende de eerste drie maanden (termijn van drie maanden te rekenen vanaf de bijlage 19/19ter).
  • Kandidaat-vluchtelingen: ondanks hun wettig verblijf kunnen zij gedurende hun asielprocedure in principe enkel aanspraak maken op materiële opvang. Indien zij een beslissing van niet-toewijzing krijgen wegens plaatsgebrek in het opvangnetwerk, hebben zij wél recht op maatschappelijke dienstverlening.

Voor bepaalde categorieën van vreemdelingen die onwettig verblijven bestaat er een beperkt recht op maatschappelijke dienstverlening.

  • Onwettig in het land verblijvende vreemdelingen met minderjarige kinderen: ondanks hun onwettig verblijf hebben zij recht op materiële opvang.
  • Onwettig verblijvende vreemdelingen en afgewezen asielzoekers aan wie een bevel is betekend om het grondgebied te verlaten: zij hebben enkel recht op dringende medische hulp.

! Opgelet: onwettig verblijvende vreemdelingen die in de absolute onmogelijkheid verkeren om het grondgebied te verlaten, komen volgens sommige rechtspraak wel in aanmerking voor maatschappelijke dienstverlening in de vorm van equivalent leefloon (zie vb. Arbh. Brussel, 24 mei 2007).
Dit kan soms ook als er sprake is van medische overmacht. >> lees meer  


! Opgelet: een onwettig verblijvende vreemdeling met een Belgisch kind heeft geen eigen recht op maatschappelijke dienstverlening maar wel via het Belgisch kind in geval het behoeftig is (zie vb. Arbh. Brussel van 19 april 2007).

Hieronder wordt het recht op maatschappelijke dienstverlening besproken naargelang het verblijfsstatuut van de betrokkene.

 

Unieburgers met een verblijfsrecht van meer dan drie maanden alsook hun familieleden hebben recht op maatschappelijke integratie.

 

Top

 

Kort verblijf

 

Tijdens een kort verblijf worden vreemdelingen toegelaten tot een verblijf van maximum drie maanden. Ze zijn dan in het bezit van een bijlage 3 of een bijlage 3ter al naargelang de betrokkene Unieburger is of niet. Ondanks hun legaal verblijf, hebben zij tijdens kort verblijf geen recht op maatschappelijke dienstverlening.

 

De reden hiervoor is dat zij niet over een gewoonlijke verblijfplaats in België beschikken zodat niet bepaald kan worden welk OCMW territoriaal bevoegd is. Een gewoonlijke verblijfplaats veronderstelt een continuïteit van de vestiging en de wil om zich gedurende een bepaalde tijd te vestigen (Arbrb. Gent, 15 april 2005).

 

In principe komen zowel Unieburgers als derdelanders enkel in aanmerking voor medische zorg. Dit betekent dat, als uit een sociaal onderzoek blijkt dat de vreemdeling behoeftig is en hij geen recht heeft op tussenkomst van een (reis)verzekering of het socialezekerheidsstelsel van het herkomstland, het OCMW kan tussenkomen in de medische en farmaceutische kosten, op voorwaarde dat een arts een attest dringende medische hulp aflevert.

 

In de praktijk kennen OCMW's soms wél maatschappelijke dienstverlening toe, bijvoorbeeld in heel schrijnende situaties of om onherstelbare schade te voorkomen.

 

Een OCMW dat maatschappelijke dienstverlening verstrekt aan een vreemdeling in kort verblijf, kan de kosten ervan terugvorderen van de garant indien een verbintenis tot tenlasteneming werd ondertekend. De garant gaat immers ten opzichte van de vreemdeling, elk OCMW en de Belgische Staat de verbintenis aan om de kosten van gezondheidszorg, verblijf en repatriëring te dragen. Deze verbintenis blijft in principe twee jaar geldig.

 

De verbintenis tot tenlasteneming is niet meer geldig wanneer:

  • De vreemdeling het Schengengebied betreedt zonder in het bezit te zijn van de vereiste binnenkomstdocumenten,
  • De vreemdeling het Schengengebied betreedt meer dan zes maanden na de afhaaldatum van de verbintenis tot tenlasteneming,
  • De vreemdeling het Schengengebied verlaten heeft,
  • De vreemdeling een verblijfsrecht bekomt,
  • De vreemdeling een asielaanvraag indient,
  • De geldigheidsduur van twee jaar verstreken is,
  • De garant afstand doet van de verbintenis en de DVZ een andere garant voor de betrokken vreemdeling aanvaardt,
  • De DVZ de aankomstverklaring of het visum wil verlengen en de garant te kennen geeft niet langer borg te willen staan.

 

Het OCMW mag maatschappelijke dienstverlening niet weigeren omwille van het loutere feit van het bestaan van een verbintenis tot tenlasteneming. Het OCMW heeft wel het recht om in eerste instantie te verwijzen naar de garant. Als deze niet wil of kan optreden, kan het OCMW de maatschappelijke dienstverlening die het toekent, terugvorderen van de garant.

 

Het OCMW kan de garant alleen aanspreken voor de kosten van courante gezondheidszorgen en niet bijvoorbeeld voor de kosten van dringende medische zorg naar aanleiding van bijvoorbeeld een verkeersongeval.

 

Een OCMW kan de toekenning van maatschappelijke dienstverlening niet weigeren wanneer dat kan leiden tot het niet toekennen of tot het verlies van het verblijfsrecht. Het OCMW moet de hulpvraag aan de hand van de in de OCMW-wet gestelde voorwaarden beoordelen en mag zich niet in de plaats stellen van de verblijfsrechtelijke instanties.

 

Zolang de betrokkene legaal in het land verblijft, kan de maatschappelijke dienstverlening niet geweigerd worden omdat een in de Vreemdelingenwet gestelde voorwaarde, zoals bijvoorbeeld het hebben van voldoende bestaansmiddelen of het ten laste zijn, niet vervuld werd. Het OCMW moet de betrokkene wel steeds informeren over het risico dat hij loopt m.b.t. zijn verblijfskaart wanneer hij beroep wil doen op OCMW-steun.

 

Top

 

Unieburgers en hun familieleden

 

Unieburgers en hun familieleden hebben gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf, d.i. vanaf het indienen van de bijlage 19/19ter, geen recht op maatschappelijke dienstverlening.

  • Deze beperking geldt voor alle Unieburgers, ongeacht hun hoedanigheid (werknemer, zelfstandige, werkzoekende, student of bezitter van voldoende bestaansmiddelen)
    • Kritische bemerking Kruispunt MI: Richtlijn 2004/38 laat niet toe dat maatschappelijke dienstverlening beperkt wordt voor Unieburgers die naar België zijn gekomen als werknemers en zelfstandigen.
  • De periode van drie maanden begint (opnieuw) te lopen vanaf het indienen van de (tweede, derde, ...) bijlage 19/19ter.

Na drie maanden te rekenen vanaf de bijlage 19/19ter moet men een onderscheid maken tussen Unieburgers-werkzoekenden en hun familieleden en de andere Unieburgers en hun familieleden.

  • Unieburgers- werknemers/zelfstandige/student/bezitter van voldoende bestaansmiddelen en hun familieleden:
    • Ze hebben recht op maatschappelijke dienstverlening na het verstrijken van drie maanden vanaf de bijage 19/19ter.
    • Het recht op maatschappelijke dienstverlening blijft behouden wanneer een bijlage 20/bijlage 35 wordt afgeleverd en dit zolang de geldigheidsduur van het uitwijzingsbevel niet verstreken is. Het recht op maatschappelijke dienstverlening blijft ook behouden tijdens de periode tussen het einde van de verblijfsprocedure door een negatieve beslissing en de betekening van het bijbehorende uitwijzingsbevel.
    • Ze hebben recht op maatschappelijke integratie vanaf de E kaart/F kaart of in geval van een visum gezinshereniging en een bijlage 15. Het toekennen van leefloon kan wel gevolgen hebben voor het verblijfsrecht van de betrokkenen.
      •  
  • Unieburgers-werkzoekenden en hun familieleden:
    • Ze hebben geen recht op maatschappelijke dienstverlening gedurende de periode gedekt door de bijlage 19/19ter, bijlage 20, bijlage 35 en de E/F kaart.  
    • Ze hebben pas recht op maatschappelijke dienstverlening vanaf de E+/F+kaart. Vermits Unieburgers en hun familieleden vanaf de E/F kaart recht recht hebben op maatschappelijke integratie, gaat het om aanvullende maatschappelijke dienstverlening bovenop het leefloon. Het toekennen van leefloon kan wel gevolgen hebben voor het verblijfsrecht van de betrokkenen.  

Daarnaast kunnen alle Unieburgers (m.u.v. de Unieburgers die de status van werknemer of zelfstandige hebben) en hun familieleden uitgesloten worden van aanvullende steun bovenop het leefloon zolang zij geen duurzaam verblijfsrecht hebben bekomen (E+/F+kaart).

 

 Top 

 

 

 

Familieleden van een Belg

 

Familieleden van Belgen worden sinds mei 2013 door de POD Maatschappelijke Integratie gelijkgesteld aan familieleden van Unieburgers.

 

Ze hebben dus gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf geen recht op maatschappelijke dienstverlening.

 

De periode van drie maanden begint (opnieuw) te lopen vanaf het indienen van de (tweede, derde, ...) bijlage 19/19ter.

 

Ze hebben recht op maatschappelijke dienstverlening na het verstrijken van drie maanden te tellen vanaf de bijage 19/19ter.

 

Het recht op maatschappelijke dienstverlening blijft behouden wanneer een bijlage 20/bijlage 35 wordt afgeleverd en dit zolang de geldigheidsduur van het uitwijzingsbevel niet verstreken is. Het recht op maatschappelijke dienstverlening blijft ook behouden tijdens de periode tussen het einde van de verblijfsprocedure door een negatieve beslissing en de betekening van het bijbehorende uitwijzingsbevel.

 

Ze hebben recht op maatschappelijke integratie vanaf de E kaart/F kaart of in geval van een visum gezinshereniging en een bijlage 15. Het toekennen van leefloon kan wel gevolgen hebben voor het verblijfsrecht van de betrokkenen.

 

 

Familieleden van een derdelander met een onbeperkt verblijfsrecht

 

Familieleden van een derdelander met een onbeperkt verblijfsrecht die een wettig verblijf in België hebben op basis van gezinshereniging, hebben recht op maatschappelijke dienstverlening.

  • Tijdens de procedure tot het verkrijgen van een verblijfsrecht van meer dan drie maanden heeft het familielid in sommige gevallen recht op maatschappelijke dienstverlening. Dit geldt voor het familielid met een:
    • Visum type D,
    • Bijlage 15bis op voorwaarde dat de betrokkene al een verblijfsrecht van meer dan drie maanden heeft in een andere hoedanigheid (vb student),
    • Immatriculatieattest,
    • Bijlage 14 zolang de geldigheidstermijn niet verstreken is,
    • Bijlage 35 zolang de geldigheidstermijn niet verstreken is,
    • Bijlage 14ter zolang de geldigheidstermijn niet verstreken is.

Een familielid met een bijlage 15ter of bijlage 15quater heeft geen recht op maatschappelijke dienstverlening. Ook niet tijdens een niet-schorsend beroep tegen die beslissing bij de RvV. Indien het familielid reeds een verblijfsrecht heeft van meer dan drie maanden in een andere hoedanigheid kan hij wel aanspraak maken op maatschappelijke dienstverlening.

  • Eens een familielid een verblijfsrecht heeft van meer dan drie maanden blijft hij in aanmerking komen voor maatschappelijke dienstverlening en dit zowel tijdens het tijdelijk verblijfsrecht als tijdens het duurzaam verblijfsrecht. Het familielid is dan in het bezit van een:
  • Als de derdelander met wie men zich komt herenigen al een gevestigde vreemdeling is (C kaart), kan het familielid ook onmiddellijk een C kaart krijgen en een inschrijving in het bevolkingsregister. In dat geval heeft het familielid recht op maatschappelijke integratie.

 

 

Top

 

Familieleden van een derdelander met een beperkt verblijfsrecht

 

Familieleden van een derdelander met een beperkt verblijfsrecht die een wettig verblijf in België hebben, hebben recht op maatschappelijke dienstverlening.

  • Tijdens de procedure tot het verkrijgen van een verblijfsrecht van meer dan drie maanden heeft het familielid in sommige gevallen recht op maatschappelijke dienstverlening. Dit geldt voor het familielid met een:
    • Visum type D,
    • Bijlage 41bis op voorwaarde dat de betrokkene al een verblijfsrecht van meer dan drie maanden heeft in een andere hoedanigheid (vb student),
    • Immatriculatieattest,
    • Bijlage 14 zolang de geldigheidstermijn niet verstreken is,
    • Bijlage 35 zolang de geldigheidstermijn niet verstreken is,
    • Bijlage 14quater zolang de geldigheidstermijn niet verstreken is.
  • Een familielid met een bijlage 41ter of bijlage 41quater heeft geen recht op maatschappelijke dienstverlening. Ook niet tijdens een niet-schorsend beroep bij de RvV tegen die beslissing. Indien het familielid reeds een verblijfsrecht heeft van meer dan drie maanden in een andere hoedanigheid kan hij wel aanspraak maken op maatschappelijke dienstverlening.
  • Eens een familielid een verblijfsrecht heeft van meer dan drie maanden blijft hij in aanmerking komen voor maatschappelijke dienstverlening en dit zowel tijdens het tijdelijk verblijfsrecht als tijdens het duurzaam verblijfsrecht. Het familielid is dan in het bezit van een: 
    • A kaart of een bijlage 15 in afwachting van een A kaart in het geval van een tijdelijk verblijfsrecht OF
    • B kaart of een bijlage 15 in afwachting van een B kaart in het geval van een duurzaam verblijfsrecht.

Top

 

Vreemdelingen met een bijlage 15

 

Vreemdelingen met een bijlage 15 kunnen zich in heel uiteenlopende verblijfssituaties bevinden. 

  • Wanneer een vreemdeling reeds in het bezit is van een verblijfsrecht en tijdens zijn legaal verblijf een andere verblijfsaanvraag indient, wordt hij in het bezit gesteld van een bijlage 15 als zijn verblijfsdocument vervalt vooraleer er een beslissing genomen is m.b.t. zijn ingediende verblijfsaanvraag. In dit geval verblijft betrokkene wettig op het grondgebied en heeft hij bijgevolg recht op maatschappelijke dienstverlening.
  • Wanneer een vreemdeling zich bij de gemeente aanmeldt met de bedoeling om een verblijfsprocedure op te starten, wordt hij soms in het bezit gesteld van een bijlage 15. In principe is er dan geen sprake van een verblijfsrecht en is er geen recht op maatschappelijke dienstverlening.
  • Bij afwezigheid uit België langer dan één jaar kan de betrokkene zijn verblijfsrecht herkrijgen wanneer hij kan aantonen dat hij omwille van overmacht langer dan één jaar is weggeweest. De betrokkene wordt dan in het bezit gesteld van een bijlage 15. Hij heeft recht op maatschappelijke dienstverlening.
  • Grensarbeiders die in een van de buurlanden wonen, krijgen een bijlage 15 om hun verblijf tijdens de tewerkstelling in België te dekken. Zij hebben geen recht op maatschappelijke dienstverlening. 

Top

 

Derdelands student

 

Een wettig in het land verblijvende derdelands student is in het bezit van een A kaart.

 

Hij heeft een verblijfsrecht van meer dan drie maanden en kan bijgevolg aanspraak maken op maatschappelijke dienstverlening.

 

Het OCMW dat maatschappelijke dienstverlening verstrekt aan een derdelands student voor wie een verbintenis tot tenlasteneming werd ondertekend, kan de kosten ervan niet terugvorderen van de garant. De garant gaat immers enkel ten opzichte van de vreemde student en de Belgische Staat de verbintenis aan om de kosten van gezondheidszorg, verblijf, studie en repatriëring te dragen. Deze verbintenis tot tenlasteneming wordt niet ten opzichte van het OCMW gesloten. Het OCMW is bijgevolg een derde ten opzichte van de verbintenis tot tenlasteneming. Het OCMW kan de kosten van de verstrekte maatschappelijke dienstverlening niet zelf op de garant verhalen. De verbintenis geldt meestal voor een jaar maar kan ook voor de hele duur van de studies aangegaan worden.

 

Wanneer de student of een familielid maatschappelijke dienstverlening heeft genoten waarvan het totale bedrag, berekend over een periode van twaalf maanden, meer dan het drievoudige bedraagt van het maandelijkse bedrag van het leefloon kan een einde gemaakt worden aan het verblijfsrecht, voor zover de hulp niet werd terugbetaald binnen de zes maanden na de uitkering van de laatste maandelijkse hulp.

 

Top

 

Humanitaire regularisatie art 9bis

  • Hangende aanvraag: de betrokkene heeft bij behoeftigheid enkel recht op dringende medische hulp, tenzij hij een ander verblijfsstatuut kan laten gelden. Het indienen van een humanitaire regularisatie aanvraag verandert immers niets aan zijn verblijfsstatuut.
  • Ontvankelijkverklaring: de betrokkene heeft bij behoeftigheid enkel recht op dringende medische hulp, tenzij hij een ander verblijfsstatuut kan laten gelden. Het indienen van een humanitaire regularisatie aanvraag verandert immers niets aan zijn verblijfsstatuut.
  • Onontvankelijkverklaring: de betrokkene heeft bij behoeftigheid enkel recht op dringende medische hulp, tenzij hij een ander verblijfsstatuut kan laten gelden.
  • Ongegrondverklaring: de betrokkene heeft enkel recht op dringende medische hulp vanaf de betekening van de negatieve beslissing, tenzij hij een ander verblijfsrecht kan laten gelden (bvb. een lopende asielprocedure). 
    • Als er geen asielprocedure (meer) hangende is, is er geen recht op maatschappelijke dienstverlening meer vanaf de betekening van de ongegrondheidsbeslissing.
    • Als een asielprocedure beëindigd werd zonder dat een BGV werd afgeleverd, is er een recht op maatschappelijke dienstverlening totdat de uitvoeringstermijn van het af te leveren BGV verstreken is.
    • Tijdens een beroep tegen de ongegrondheidbeslissing bij de RvV is er enkel recht op dringende medische hulp aangezien het beroep niet schorsend is.
    • Enkel als de schorsing van de gegrondheidbeslissing en het bevel om het grondgebied te verlaten uitdrukkelijk gevraagd en toegekend wordt, blijft het recht op maatschappelijke dienstverlening behouden. 
  • Humanitaire regularisatie: bij een positieve beslissing krijgt de betrokkene  een A kaart of B kaart en wordt hij ingeschreven in het vreemdelingenregister. Hij heeft recht op maatschappelijke dienstverlening vanaf de regularisatiebeslissing.

Top

 
Medische regularisatie art 9ter 

  • Hangende aanvraag (nog geen ontvankelijk verklaring): de betrokkene heeft enkel recht op dringende medische hulp, tenzij hij een ander verblijfsrecht kan laten gelden. In geval van medische overmacht kan er een recht op maatschappelijke dienstverlening zijn. >> lees meer.
    Wie nog in een opvangcentrum verbleef toen de 9ter aanvraag werd ingediend, heeft soms een verlengd recht op opvang. >> lees meer
  • Ontvankelijk verklaring: bij een ontvankelijk verklaring krijgt de betrokkene een immatriculatieattest en wordt hij ingeschreven in het vreemdelingenregister. Vanaf de ontvankelijkheidbeslissing verblijft de betrokkene wettig en heeft hij recht op maatschappelijke dienstverlening. >> lees meer.
    Als de betrokkene op dat moment in het kader van zijn asielprocedure in een opvangstructuur verblijft, moet hij de opvangstructuur verlaten ongeacht of zijn asielprocedure nog hangende is of niet. Uitzonderlijk kan hij een uitstel van vertrek uit de opvangstructuur bekomen. >> lees meer 
  • Onontvankelijk verklaring: de betrokkene heeft bij behoeftigheid enkel recht op dringende medische hulp vanaf de betekening van de negatieve beslissing, tenzij hij een ander verblijfsrecht kan laten gelden (vb lopende asielprocedure).
    Ook tijdens een beroepsprocedure tegen de onontvankelijkheidbeslissing bij de RvV is er enkel recht op dringende medische hulp aangezien het beroep niet schorsend is. Enkel bij medische overmacht kan maatschappelijke dienstverlening via de arbeidsrechtbank afgedwongen worden. >> lees meer 
  • Ongegrond verklaring: de betrokkene heeft enkel recht op dringende medische hulp vanaf de betekening van de negatieve beslissing, tenzij hij een ander verblijfsrecht kan laten gelden (vb lopende asielprocedure). 
    • Als er geen asielprocedure (meer) hangende is, is er geen recht op maatschappelijke dienstverlening meer vanaf de betekening van de ongegrondheidsbeslissing.
    • Als een asielprocedure beëindigd werd zonder dat een BGV werd afgeleverd, is er een recht op maatschappelijke dienstverlening totdat de uitvoeringstermijn van het af te leveren BGV verstreken is.
    • Tijdens een beroep tegen de ongegrondheidbeslissing bij de RvV is er enkel recht op dringende medische hulp aangezien het beroep niet schorsend is.
    • Enkel als de schorsing van de gegrondheidbeslissing en het bevel om het grondgebied te verlaten uitdrukkelijk gevraagd en toegekend wordt, blijft het recht op maatschappelijke dienstverlening behouden.
  • Medische regularisatie: bij een positieve beslissing krijgt de betrokkene een A kaart en wordt hij ingeschreven in het vreemdelingenregister. Hij behoudt zijn recht op maatschappelijke dienstverlening.

Top

 

Langdurig ingezetenen

  • Vreemdelingen met het statuut van langdurig ingezetene in België zijn in het bezit van een D kaart en zijn ingeschreven in het bevolkingsregister. Ze hebben recht op maatschappelijke integratie.
  • Vreemdelingen met het statuut van langdurig ingezetene in een andere EU-lidstaat kunnen onder bepaalde voorwaarden een tweede verblijf in België verkrijgen.
    • Als de aanvraag tot machtiging tot verblijf in het buitenland wordt ingediend en de machtiging wordt toegekend, krijgt de vreemdeling bij aankomst in België een A kaart. Hij heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Het genieten van maatschappelijke dienstverlening kan ertoe leiden dat de betrokkene zijn verblijfsrecht verliest.
    • Als de aanvraag tot machtiging in België wordt ingediend, ontstaat het recht op maatschappelijke dienstverlening ook pas wanneer de betrokkene een verblijfsrecht van meer dan drie maanden bekomt (A kaart).

Top

 

Asiel

  • Een aan een OCMW toegewezen asielzoeker (code 207 OCMW) heeft tijdens zijn asielprocedure recht op maatschappelijke dienstverlening. Hij is in het bezit van een bijlage 2526 en een immatriculatieattest of bijlage 35

Een steuntrekkende asielzoeker behoudt zijn recht op maatschappelijke dienstverlening

  • Totdat de asielaanvraag is afgewezen en de termijn op het BGV (afgegeven na de laatste negatieve beslissing van een asielinstantie waartegen geen schorsend beroep werd ingesteld) verstreken is,
  • Tijdens de beroepstermijn bij de RvS,
  • Tijdens de behandeling van het ingediende beroep bij de RvS,
  • Zolang het tweede BGV niet betekend en verstreken is in geval de beroepstermijn verstrijkt en er werd geen beroep bij de RvS ingediend,
  • Zolang de termijn van het BGV niet verstreken is in geval van een ontoelaatbaarverklaring van een beroep bij de RvS,
  • Zolang er geen BGV betekend werd in geval van een ontoelaatbaarverklaring van een beroep bij de RvS. 
  • Een aan een opvangstructuur toegewezen asielzoeker (code 207 opvangstructuur) heeft geen recht op maatschappelijke dienstverlening. Hij heeft enkel recht op materiële opvang in de opvangstructuur waaraan hij werd toegewezen. Hij is in het bezit zijn van een bijlage 25/bijlage 26 en een immatriculatieattest of een bijlage 35.
  • Een asielzoeker met een verblijfsrecht van meer dan drie maanden heeft recht op maatschappelijke dienstverlening.
  • Een asielzoeker die niet in de hem toegewezen opvangstructuur verblijft ('no show'), kan enkel een beroep doen op Fedasil voor zijn medische kosten.
  • Een asielzoeker zonder code 207 OCMW of code 207 opvangstructuur heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer ze een verblijfsrecht van meer dan drie maanden hebben verkregen of wanneer de code 207 werd opgeheven omwille van bijzondere omstandigheden zoals oververzadiging van het opvangnetwerk. 

Top 

 

Subsidiaire bescherming

 

Vreemdelingen aan wie subsidiaire bescherming wordt toegekend, bekomen een A kaart en worden ingeschreven in het vreemdelingenregister. Ze verblijven wettig in het land en hebben bijgevolg recht op maatschappelijke dienstverlening.

  • Wanneer het CGVS de subsidiaire bescherming toekent en:
    • Er wordt geen beroep aangetekend tegen die beslissing: ontstaat het recht op maatschappelijke dienstverlening op het moment dat de beslissing tot toekenning definitief is geworden, d.i. op het moment dat de termijn om in beroep te gaan bij de RvV verstreken is.

Verblijft de vreemdeling op dat moment in een opvangstructuur of is hij 'no show', dan moet hij de opvangstructuur binnen een termijn van maximum twee maanden verlaten. Hij mag ook eerder vertrekken en zijn recht op maatschappelijke dienstverlening uitoefenen want dit recht ontstaat vanaf de betekening van de beslissing van de RvV.

  • Als de vreemdeling in beroep gaat bij de RvV tegen de beslissing tot toekenning van subsidiaire bescherming, wordt deze beslissing geschorst. Dit betekent dat hij geen A kaart en inschrijving bekomt en dat hij verder recht blijft hebben op de opvang in de opvangstructuur of de financiële steun van het bevoegde OCMW.
  • Wanneer de RvV de subsidiaire bescherming toekent, ontstaat het recht op maatschappelijke dienstverlening vanaf de betekening van de beslissing van de RvV. Een beroep bij de Raad van State is immers niet schorsend.

Verblijft de vreemdeling op dat moment in een opvangstructuur of is hij 'no show', dan moet hij de opvangstructuur binnen een termijn van maximum twee maanden verlaten. Hij mag ook eerder vertrekken en zijn recht op maatschappelijke dienstverlening uitoefenen want dit recht ontstaat vanaf de betekening van de beslissing van de RvV.

Top 

 

Erkende staatlozen

  • Erkende staatlozen die onwettig in het land verblijven, hebben geen recht op maatschappelijke dienstverlening maar enkel op dringende medische hulp. Dit is - in tegenstelling tot hetgeen geldt voor de onwettig verblijvende asielzoekers - ook zo wanneer de betrokkene in beroep gaat bij de Raad van State tegen het hem betekende bevel om het grondgebied te verlaten.

Sommige arbeidsrechters veroordelen het OCMW toch tot steunverlening in geval van een beroep tegen de weigeringsbeslissing van het OCMW. Zij steunen zich hierbij op de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie die zegt dat het recht op maatschappelijke dienstverlening behouden blijft als overmacht de betrokkene verhindert terug te keren naar het herkomstland.

Top 

 

Verklaring tot vrijwillige terugkeer

 

Vreemdelingen die een verklaring hebben ondertekend dat zij vrijwillig willen terugkeren naar hun land van herkomst, behouden hun recht op maatschappelijke dienstverlening tijdens de termijn die strikt noodzakelijk is om terug te keren en uiterlijk tot zijn effectieve vertrek.

 

De ondertekening van de intentieverklaring moet gebeuren binnen de uitvoeringstermijn van het laatste in het kader van de asielprocedure betekende bevel om het grondgebied te verlaten. Als de intentieverklaring wordt ondertekend op het ogenblik dat de betrokkene al onwettig in het land verblijft, ontstaat er geen recht op maatschappelijke dienstverlening tenzij bij een veroordeling tot steunverlening door de arbeidsrechtbank.

 

Er kan slechts eenmaal een dergelijke intentieverklaring ondertekend worden.

 

Wanneer het uitstel van vertrek te wijten is aan het gedrag van de asielzoeker, vervalt het recht op maatschappelijke dienstverlening.

 

Top 

 

Onmogelijkheid tot terugkeer

 

Onwettig in het land verblijvende vreemdelingen die om redenen onafhankelijk van hun wil niet naar hun herkomstland kunnen terugkeren, hebben recht op maatschappelijke dienstverlening (omzendbrief van 26 april 2005).

 

Hiertoe moet een recent bewijs van overmacht geleverd worden dat door de DVZ bevestigd werd. Volgende situaties komen bijvoorbeeld in aanmerking als overmacht: de politieke situatie in het herkomstland die elke terugkeer verhindert, de onmogelijkheid voor de Belgische overheid om de nationaliteit van de betrokkene te bepalen en daarmee het land waarnaar hij moet worden uitgewezen. Ook de hoogste rechtscolleges in België hebben geoordeeld dat er een principieel recht is op maatschappelijke dienstverlening (GwH, 30 juni 1999  en HvC, 18 december 2000).

 

Toch blijft in de praktijk deze bepaling dode letter. De OCMW's kennen meestal geen maatschappelijke dienstverlening toe aan onwettig verblijvende vreemdelingen die omwille van overmacht niet kunnen terugkeren. De arbeidsrechters passen echter de rechtspraak toe van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie toe bij een beroep tegen de weigeringsbeslissing van het OCMW. Het OCMW wordt dan ook vaak veroordeeld tot steunverlening.

 

Top 

 

Niet-begeleide minderjarigen

 

Niet-begeleide minderjarigen die wettig in het land verblijven, hebben recht op maatschappelijke dienstverlening. Als de niet-begeleide minderjarige wordt erkend als vluchteling kan hij geen aanspraak maken op maatschappelijke integratie wegens zijn minderjarigheid. Hij blijft verder recht hebben op maatschappelijke dienstverlening.

 

Het OCMW beslist autonoom welke hulp in een individueel geval nodig is om de menselijke waardigheid van de niet-begeleide minderjarige te waarborgen. Het OCMW moet deze beslissing motiveren.

 

In de praktijk wordt meestal financiële steun gelijk aan het leefloon toegekend, eventueel aangevuld met andere vormen van maatschappelijke dienstverlening (vb. huurwaarborg, installatiepremie, ten laste nemen van remgeld, bepaalde schoolkosten).

 

Top 

 

Belgisch kind van onwettig verblijvende ouders

 

Een Belgisch minderjarig kind heeft recht op maatschappelijke dienstverlening terwijl zijn onwettig in het land verblijvende ouders enkel recht hebben op dringende medische hulp.

 

Volgens het Grondwettelijk Hof (zie vb. GwH nr 32 dd. 01/03/2006) moet er bij het bepalen van de voor het Belgische kind noodzakelijke dienstverlening rekening worden gehouden met de specifieke gezinssituatie van het kind en met het feit dat het recht van de ouders op OCMW-dienstverlening beperkt is tot dringende medische hulp.

 

Vaak weigert het OCMW - ten onrechte - maatschappelijke dienstverlening omdat de kosten ervan niet worden terugbetaald door de POD Maatschappelijke Integratie. Bij een eventueel beroep tegen de weigeringsbeslissing veroordeelt de arbeidsrechtbank het OCMW tot dienstverlening.

 

Top 

 

Minderjarige vreemdelingen die samen met hun ouders onwettig verblijven

 

Minderjarige vreemdelingen die samen met hun ouders onwettig verblijven, hebben geen recht op maatschappelijke dienstverlening vanwege het OCMW. Ze hebben enkel recht op materiële opvang in een federaal opvangcentrum.

 

Top

 

Vreemdelingen met een schorsend beroep bij de RvV

 

Een schorsend beroep bij de RvV schorst de bestreden beslissing. De betrokkene verblijft bijgevolg wettig op het grondgebied en wordt in het bezit gesteld van een bijlage 35. Hij heeft recht op maatschappelijke dienstverlening zolang hij in het bezit is van een geldige bijlage 35.

 

Top 

 

Vreemdelingen met een niet-schorsend beroep bij de RvV

 

Een niet-schorsend beroep bij de RvV doet geen afbreuk aan de geldigheid van de bestreden beslissing of het betekend bevel om het grondgebied te verlaten. Als de vreemdeling geen ander verblijfsrecht kan laten gelden, verblijft hij onwettig op het grondgebied en heeft hij geen recht op maatschappelijke dienstverlening. Hij kan wel aanspraak maken op dringende medische hulp.

 

Top 

 

Onwettig verblijvende vreemdelingen

 

Onwettig in het land verblijvende vreemdelingen hebben enkel recht op beperkte maatschappelijke dienstverlening in de vorm van dringende medische hulp.

 

Wanneer zij samen met hun minderjarige kinderen op het grondgebied verblijven, hebben zij tevens recht op opvang in een federaal opvangcentrum.

 

Top

 

Onregelmatig verblijvende vreemdelingen

 

Onregelmatig in het land verblijvende vreemdelingen zijn vreemdelingen die recht hebben op een verblijfsrecht maar niet (meer) over de nodige documenten beschikken om dat verblijfsrecht aan te tonen. Zij hebben bijvoorbeeld de procedure tot het bekomen van een verblijfsrecht niet gevolgd of hun document niet (tijdig) vernieuwd.

 

In sommige gevallen behoudt men het recht op maatschappelijke dienstverlening. Het is echter onduidelijk onder welke voorwaarden een onregelmatig verblijf - voor het recht op maatschappelijke dienstverlening - door de federale overheid toch beschouwd wordt als als wettig verblijf. 

 

Top 

 

Vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend

 

Vreemdelingen die maatschappelijke dienstverlening krijgen op het moment dat hen een bevel om het grondgebied te verlaten wordt betekend, behouden hun recht op maatschappelijke dienstverlening tijdens de termijn die ze hebben om dit bevel uit te voeren. Bij een eventuele verlenging van het bevel behoudt hij verder zijn recht op maatschappelijke dienstverlening.

 

In de praktijk kunnen vreemdelingen wiens bevel verlengd werd ook al werd dat bevel niet betekend op het moment dat de vreemdeling wettelijk steuntrekkend is, recht hebben op maatschappelijke dienstverlening (vb Arbrb. Antwerpen 19 juni 2002). Zo kan bijvoorbeeld een onwettig verblijvende zwangere vrouw die van de DVZ een uitwijzingsbevel heeft gekregen voor de periode van x maanden voor tot x maanden na de bevalling aanspraak maken op maatschappelijke dienstverlening.    

 

Vreemdelingen die geen recht op maatschappelijke dienstverlening hebben en aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten wordt betekend zonder bedoeling om het bevel te verlengen, hebben geen recht op maatschappelijke dienstverlening tijdens de periode om het bevel uit te voeren. Zij hebben enkel recht op dringende medische hulp.

 

Top 

 

Vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten betekend moet worden

 

Vreemdelingen die een negatieve beslissing hebben gekregen (andere dan in het kader van de asielprocedure) maar aan wie nog geen bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, behouden hun recht op maatschappelijke dienstverlening tot aan het verstrijken van de geldigheidsduur van het bevel om het grondgebied te verlaten.

 

Top

 

  • Gewoonlijke verblijfplaats in België

 

De betrokkene moet zijn gewoonlijke verblijfplaats in België hebben.

 

Een ambtelijk geschrapte vreemdeling kan recht hebben op maatschappelijke dienstverlening als uit het sociaal onderzoek blijkt dat de betrokkene het land niet verlaten heeft en zijn verblijfsrecht nog heeft ongeacht de schrapping van ambtswege.

 

Top

  • Geen leeftijdsvereiste

 

Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening ongeacht zijn leeftijd. Een minderjarige kan een persoonlijk recht op maatschappelijke dienstverlening laten gelden.

 

Gezien de handelingsonbekwaamheid kan de niet-ontvoogde minderjarige evenwel dit principiële recht niet zelf uitoefenen, wat maakt dat zijn wettelijke vertegenwoordigers (ouders of voogd) dit voor hem moeten doen.

 

Enkel wanneer zijn wettelijke vertegenwoordiger nalaat of in de onmogelijkheid is om een aanvraag namens de minderjarige in te dienen, kan de minderjarige zijn recht op maatschappelijke dienstverlening zelf uitoefenen. Dit op voorwaarde dat hij voldoende onderscheidingsvermogen heeft om te beseffen wat een aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening inhoudt.

 

Top

 

Verlies van het verblijfsrecht?

 

Het verblijfsrecht van Unieburgers kan geweigerd/ingetrokken worden wanneer niet (langer) voldaan is aan de voorwaarden van hun statuut en, in bepaalde gevallen, wanneer men een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel.

 

Voor de meeste vreemdelingen die hun recht op maatschappelijke dienstverlening doen gelden, heeft het uitoefenen van dit recht geen invloed op hun verblijfsstatuut. Het hebben van voldoende bestaansmiddelen is in veel gevallen immers geen voorwaarde voor het behouden van de verblijfstitel.

 

Wanneer een Unieburger of diens familielid echter zijn recht op maatschappelijke dienstverlening uitoefent, kan hij in bepaalde situaties zijn verblijfsrecht verliezen.

 

Gedurende de eerste drie jaar van zijn tijdelijk verblijf (E kaart /F kaart) kan het verblijfsrecht ingetrokken worden o.m. wanneer:

  • de Unieburger niet meer voldoet aan de voorwaarden van zijn statuut als werknemer, werkzoekende, zelfstandige, economisch niet-actieve of student; het feit dat een Unieburger een beroep doet op maatschappelijke dienstverlening vormt een indicatie dat hij niet meer voldoet aan die voorwaarden. Het verlies van het verblijfsrecht van de Unieburger heeft als gevolg dat zijn familielid ook zijn verblijfsrecht verliest.
  • de Unieburger die student of economisch niet-actief is een onredelijke belasting vormt voor de sociale bijstand. Het verlies van het verblijfsrecht van de Unieburger heeft als gevolg dat zijn familielid ook zijn verblijfsrecht verliest.
  • het familielid van een Unieburger die student of economisch niet-actief is een onredelijke belasting vormt voor de sociale bijstand.

Na drie jaar ononderbroken verblijf met een E kaart/F kaart kan er geen einde meer gesteld worden aan het verblijfsrecht omwille van bovenmelde redenen. Er is dan sprake van duurzaam verblijfsrecht (E+kaart /F+kaart). Er worden geen persoonsgegevens overgemaakt van personen die een duurzaam verblijfsrecht hebben en sociale bijstand genieten. 

 

De gegevens m.b.t. OCMW-dienstverlening zitten in de Kruispuntbank Sociale Zekerheid. Om de DVZ in staat te stellen haar controletaak uit te oefenen, is de POD Maatschappelijke Integratie gemachtigd persoonsgegevens over te maken aan de DVZ van de Unieburger en diens familieleden:

  • Met bijlage 19/bijlage 19ter: vanaf de eerste maand maatschappelijke dienstverlening
  • Met een E kaart/F kaart:
    • Vanaf de eerste maand leefloon als voordien al maatschappelijke dienstverlening was toegekend,
    • Vanaf de vierde maand leefloon als voordien geen maatschappelijke dienstverlening was toegekend (d.i. van zodra meer dan 90 (al dan niet opeenvolgende) dagen over een periode van 12 maanden voorafgaand aan het sturen van het bericht).

Op basis van deze gegevens kan het verblijfsrecht worden geweigerd/ingetrokken. Het feit dat de Unieburger of zijn familielid een beroep doet op het OCMW mag niet automatisch tot gevolg hebben dat hij zijn verblijfsrecht verliest. De DVZ moet geval per geval alle elementen van het dossier onderzoeken: zoals de eventueel tijdelijke aard van de problemen, de duur van het verblijf, de persoonlijke situatie, het bedrag van de toegekende steun.

 

Als er gedurende een maand geen leefloon meer wordt toegekend, wordt het overmaken van de persoonsgegevens stopgezet totdat de betrokkene opnieuw maatschappelijke steun ontvangt.

 

Top

 

Aard van de OCMW-dienstverlening

 

Eens het OCMW heeft vastgesteld dat de hulpvrager niet in staat is een menswaardig leven te leiden, bepaalt het OCMW welke de meest passende dienstverlening is voor de betrokkene. Hieronder worden enkele van de meest voorkomende vormen van maatschappelijke dienstverlening besproken.

 

Financiële steun

 

Financiële steun is de meest courante vorm van OCMW-dienstverlening. Het kan gaan om eenmalige, periodieke of als voorschot uitgekeerde steun.

 

Het OCMW bepaalt autonoom het bedrag van de toe te kennen financiële steun. In de praktijk worden vaak de leeflooncategorieën en -bedragen gebruikt als maatstaf voor het bepalen van de financiële steun. Daarom wordt deze uitgekeerde financiële steun ook wel equivalent leefloon genoemd.

  • De bedragen van het leefloon mogen niet systematisch worden overgenomen. Er moet steeds geval per geval worden nagegaan of het bedrag volstaat om de betrokkene in staat te stellen menswaardig te leven.
  • In geval van samenwoonst met een onwettig in het land verblijvende vreemdeling wordt er maar een equivalent leefloon categorie alleenstaande toegekend wanneer uit het sociaal onderzoek blijkt dat de vreemdeling geen inkomsten heeft.   

Periodieke financiële steun wordt hoofdzakelijk toegekend als:

  • Vervanging van het leefloon: ten voordele van hulpvragers die ten gevolge van hun nationaliteit, verblijfplaats of leeftijd geen recht hebben op leefloon.
  • Aanvulling van het leefloon: indien het bedrag van het leefloon te laag is om de betrokkene een menswaardig bestaan te laten leiden.

Het OCMW kan eveneens financieel tussenkomen (geheel of gedeeltelijk) in geval van hoogoplopende kosten voor geneesmiddelen en geneeskundige verzorging.

>> lees meer over de medische kosten die het OCMW betaalt.

 

Het OCMW kan door middel van een huurtoelage tussenkomen in de huurprijs van een aanvrager. Tot een huurtoelage wordt meestal beslist na een sociaal onderzoek. In sommige gevallen betaalt het OCMW bovendien de huurwaarborg of verleent het een voorschot op deze waarborg.

 

Top 

 

Sociale tewerkstelling

 

Een belangrijke opdracht van het OCMW is de werkverschaffing aan personen die met het oog op het verkrijgen van een sociale uitkering (bijvoorbeeld werkloosheidsuitkering) het bewijs moeten leveren van een periode van tewerkstelling.

 

Tewerkstelling door het OCMW kan ook als doel hebben de werkervaring van de betrokkene te bevorderen. De periode van sociale tewerkstelling mag wel niet langer duren dan de termijn die nodig is om de betrokkene gerechtigd te maken op volledige sociale uitkeringen.

 

In eerste instantie moet het OCMW ter vervulling van deze opdracht al het nodige ondernemen om de betrokkene een betrekking te bezorgen. In dit kader kan het centrum een arbeidsovereenkomst met de aanvrager sluiten en zelf als werkgever optreden. Het OCMW is hier echter geenszins toe verplicht. De aanvrager kan door het OCMW ook ter beschikking worden gesteld van een andere overheidsinstelling (bijvoorbeeld een ander OCMW, de gemeente, een openbaar ziekenhuis of een intercommunale met een sociaal, cultureel of ecologisch doel) of van privé-instellingen die met het OCMW een overeenkomst hebben gesloten.

 

Vreemdelingen, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op maatschappelijk integratie (leefloon), maar wel gerechtigd zijn op financiële maatschappelijke dienstverlening, kunnen in gelijke mate en vanaf hetzelfde tijdstip genieten van de inschakelingprogramma's die gelden voor maatschappelijke integratiegerechtigden. De tewerkstelling van deze categorie van vreemdelingen wordt aldus in de hand gewerkt doordat het OCMW financieel tegemoetkomt in de loonlast.

 

Top 

 

Voorzieningen voor opname van daklozen

 

Daklozen hebben het recht om een woning ter beschikking gesteld te krijgen. Bevoegd OCMW is dat van de gemeente waar de dakloze zijn hoofdverblijf heeft of de intentie heeft om er te verblijven. Thans krijgen daklozen een referentieadres op de zetel van het OCMW.

 

Een dakloze is tevens eenmalig gerechtigd op een installatiepremie, ter hoogte van 1/12 van het jaarlijks bedrag van het leefloon dat wordt toegekend aan samenlevende echtgenoten.

 

Top 

 

Voogdij over bepaalde kinderen

 

Minderjarigen over wie niemand het gezag, de voogdij of de materiële bewaring heeft, worden toevertrouwd aan het OCMW van de gemeente waar de minderjarige zich bevindt.

 

Voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen is er in 2007 echter een Voogdijdienst (FOD Justitie) in het leven geroepen.

 

 Top 

 

Duur van de OCMW-dienstverlening

 

Maatschappelijke dienstverlening kan niet worden toegekend voor een periode in het verleden. Enkel als de gevolgen van een mensonwaardig leven in het verleden het menswaardig leven nu in de weg staan, kan men steun toekennen.

 

Er is een recht op maatschappelijke dienstverlening vanaf het moment dat men niet menswaardig kan leven. Als wordt vastgesteld dat men op het ogenblik van de aanvraag niet menswaardig kon leven, moet maatschappelijke dienstverlening worden toegekend vanaf de datum van de aanvraag tot steun. Retro-actieve steun ontvangen voor de periode van vóór de aanvraag is niet mogelijk (HvC, 17 december 2007 en HvC, 9 februari 2009).

 

Top