Print deze pagina

Detentie en uitwijzing

Uitwijzing

Een vreemdeling aan wie een uitwijzingsbevel wordt betekend omdat hij bijvoorbeeld niet (meer) wettig in het land verblijft, dient binnen de in zijn bevel aangegeven termijn het land te verlaten.


Wanneer de betrokkene dit bevel niet vrijwillig uitvoert, kan hij gedwongen worden tot terugkeer. Hij kan dan administratief worden aangehouden met het oog op zijn verwijdering.

 

De uitwijzing van derdelanders wordt geregeld in de artikelen 74/10-74/19 Verblijfswet die een omzetting zijn van de Europese Terugkeerrichtlijn 2008/115 naar Belgisch recht.

  • Kritische opmerking Kruispunt MI: de EU-lidstaten mogen geen maatregelen nemen voor de uitwijzing van derdelanders die strenger zijn dan de Terugkeerrichtlijn. Alle EU-lidstaten zijn gebonden door de Terugkeerrichtlijn, met uitzondering van het VK, Denemarken en Ierland.

Daarnaast blijft de omzendbrief van 10 juni 2011 over de verwijdering van derdelanders van toepassing.

 

Het systeem van de Ministeriële Besluiten tot Terugwijzing en de Koninklijke Besluiten tot Uitzetting blijft eveneens behouden.

 

Op de website van Sefor, het nieuwe bureau van de DVZ dat alle dossiers opvolgt waarin een uitwijzingsbevel werd afgegeven, wordt een brochure met basisinformatie ter beschikking gesteld in 22 talen.

 

Bevel om het grondgebied te verlaten (BGV)

Wanneer een bevel om het grondgebied te verlaten afgegeven wordt, moet de betrokkene terugkeren naar zijn herkomstland of naar het land waar hij gemachtigd is tot verblijf.

 

In onderstaande gevallen bestaat er een  verplichting om een bevel om het grondgebied af te geven, nl. wanneer de betrokkene

  • Niet in het bezit is van een geldig paspoort of gelijkgestelde reistitel,
  • Langer dan de termijn van het toegekende visum op het grondgebied verblijft, of langer dan 90 dagen op een termijn van 6 maanden op het grondgebied aanwezig is of niet het bewijs kan leveren van het tegendeel,
  • Gesignaleerd is in SIS,
  • Minder dan 10 jaar uit België is teruggewezen of uitgezet (tenzij opschorting of intrekking maatregel) of
  • Een inreisverbod opgelegd gekregen heeft (tenzij opschorting of opheffing)

De betekening van het bevel om het grondgebied te verlaten aan de betrokkene gebeurt door de gemeente, de politie of de DVZ (per aangetekende brief).

Opgelet! Ingeval van uitgeprocedeerde asielzoekers kan de DVZ het bgv per aangetekende brief betekenen op de gekozen woonplaats (advocaat, opvangstructuur, …). Het bevel kan in dat geval betekend zijn zonder dat de betrokkene daarvan op de hoogte is. De beroepstermijn begint te lopen vanaf de betekening.

Op verzoek van de betrokkene moet de DVZ een (mondelinge of schriftelijke) vertaling voorzien van de belangrijkste elementen van het bevel om het grondgebied te verlaten en het inreisverbod (met inbegrip van de beroepsmogelijkheden).

 

Op het uitwijzingsbevel staat vermeld binnen welke termijn de betrokkene gevolg moet geven aan het bevel.

 

In de regel bedraagt de termijn om het grondgebied te verlaten 30 dagen vanaf de betekening van het uitwijzingsbevel. De beslissing tot verwijdering (bijlage 13) voorziet m.n. in een termijn van 30 dagen als de betrokkene gemachtigd of toegelaten was tot een verblijf van meer dan drie maanden op het grondgebied.

 

Op dit principe bestaan uitzonderingen:

  • Termijn van 7-30 dagen: de DVZ levert aan derdelanders die niet in het bezit waren van een machtiging of toelating tot verblijf van meer dan drie maanden een uitwijzingsbevel af met een termijn van 7 à 30 dagen
    vb. asielzoekers, ontvankelijk verklaarde aanvrager van medische regularisatie, personen met een verstreken visum kort verblijf
  • Termijn van 7-0 dagen: de DVZ geeft in de onderstaande zes gevallen een uitwijzingsbevel af met een termijn van 7 à 0 dagen:
    • Risico op onderduiken
      • De wet omschrijft dit begrip als het actueel en reëel risico dat de betrokkene vormt om zich te onttrekken aan de autoriteiten gebaseerd op objectieve en ernstige elementen. 
        • Opmerking Kruispunt Migratie-Integratie: Rechtspraak zal dit vage begrip in de toekomst verder moeten afbakenen.
      • Elementen die, al dan niet in combinatie, kunnen wijzen op risico op onderduiken:
        • Op het grondgebied verblijven na de termijn die is toegekend in het BGV
        • Niet kunnen aantonen op rechtmatige wijze de Schengenruimte te zijn binnengekomen en nooit een machtiging tot verblijf of internationale bescherming te hebben gevraagd,
        • Zich in het verleden aan een verwijderingsmaatregel hebben onttrokken of zich verzet hebben tegen de uitvoering van de verwijderingsmaatregel of in het verleden al verwijderd zijn geweest,
        • Gesignaleerd staan in het SIS-systeem met een inreisverbod,
        • De preventieve maatregelen met het oog op het beperken van het risico op onderduiken niet naleven,
        • Zijn verblijfsplaats wijzigen gedurende de termijn die hem toegekend werd om het grondgebied te verlaten zonder de DVZ hierover in te lichten,
        • Valse verklaringen of valse informatie gegeven hebben m.b.t. zijn identificatie of weigeren zijn ware identiteit te geven,
        • Valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt hebben in het kader van een aanvraag van machtiging tot verblijf,
        • Verschillende keren niet ingegaan zijn op een oproeping van de gemeente in het kader van de betekening van de beslissing m.b.t. zijn verblijfsaanvraag,
        • ...

     

    • Een eerder niet gerespecteerd BGV
    • Niet gerespecteerde preventieve maatregelen
    • Derde (of latere) asielaanvraag zonder nieuwe elementen
    • Gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid
    • Fraude of gebruik van valse documenten of informatie

Een bevel om het grondgebied te verlaten met een termijn van 0 dagen betekent dat de betrokkene het land onmiddellijk moet verlaten zoniet loopt hij het risico opgesloten te worden. Er moet echter een termijn van 5 dagen (waarvan 3 werkdagen) gerespecteerd worden alvorens de betrokkene gedwongen kan worden uitgewezen. 


Preventieve maatregelen kunnen (afzonderlijk of cumulatief) opgelegd worden om het risico op onderduiken te vermijden gedurende de termijn toegekend voor vrijwillig vertrek. Ze worden opgelegd door de Minister of zijn gemachtigde. Preventieve maatregelen kunnen bestaan uit:

  • Zich op regelmatige basis aanmelden bij de burgemeester of de DVZ.
  • Storten van een financiële waarborg aan de Staat. De betrokkene stort het bedrag ten laatste de dag na de betekening van de beslissing tot verwijdering. Indien de toegekende termijn voor het vrijwillig vertrek verstreken is en het bevel niet werd opgevolgd, komt de som toe aan de Staat. Indien dat wel het geval is, dient de betrokkene het bewijs van het verlaten van het grondgebied evenals zijn rekeningnummer door te geven.
  • Overhandigen van kopieën van documenten die de identiteit vaststellen.

Als de verwijderingsbeslissing (bijlage 13) preventieve maatregelen voorziet, moet de gemeente de betrokkene hierover informeren. De bijlage 13 vermeldt de plaats waar en het tijdstip waarop de betrokkene zich moet aanmelden.

 

Het bevel om  het grondgebied te verlaten kan in een aantal gevallen gepaard gaan met een inreisverbod (bijlage 13sexies) en/of een vasthouding met het oog op verwijdering (bijlage 13septies).

 

De betrokkene kan bij de DVZ door middel van een gemotiveerd verzoek een verlenging van de termijn om het grondgebied te verlaten aangevragen.

  • De DVZ is verplicht om de termijn te verlengen wanneer de betrokkene het bewijs levert dat hij in de onmogelijkheid verkeert tot vrijwillige terugkeer (vb geen paspoort ondanks herhaalde aanvragen aan de ambassade).

Die onmogelijkheid moet worden bevestigd door een document van de vrijwillige terugkeer-organisatie (Fedasil, IOM, Caritas, lokale partner) of door een bewijs van ziekte, zwangerschap... Zolang de verlengde termijn loopt, geldt een verbod op gedwongen terugkeer.

  • De DVZ kan een verlenging toestaan indien noodzakelijk, rekening houdend met de omstandigheden eigen aan de individuele situatie (vb duur van het verblijf, schoolgaande kinderen, organisatie van vrijwillig vertrek, familiale en andere sociale banden, …). 

Bureau Sefor bevestigt dat het de omzendbrief van 13/9/2005 zal respecteren en niet zal overgaan tot gedwongen repatriëring van vreemdelingen met huwelijksaangifte en dit tot de eindbeslissing (huwelijksvoltrekking of weigering tot huwelijksvoltrekking). Ook van zodra een wettelijke samenwoning geregistreerd werd door de gemeente, zal DVZ gedurende 6 maand niet overgaan tot repatriëring (om de vreemdeling de kans te geven een procedure gezinshereniging op te starten).

 

Er bestaan een aantal beroepsmogelijkheden tegen een BGV (uitwijzingsbevel).

  • Annulatie- en schorsingsberoep bij de RvV

De betrokkene kan een annulatie- en/of schorsingsberoep instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen binnen de 30 dagen te rekenen vanaf de eerste dag volgend op de handtekening van het ontvangstbewijs (of de weigering te tekenen) of het versturen per fax (15 dagen ingeval van betekening in een gesloten centrum of terugkeerwoning) of de derde werkdag volgend op de dag dat de brief overhandigd werd aan de postdiensten.

Tijdens de vastgestelde periode voor het indienen van het beroep noch tijdens de beroepsprocedure kan de betrokkene gedwongen verwijderd worden op voorwaarde dat het een schorsend beroep betreft. Als het geen schorsend beroep betreft en er worden gedwongen maatregelen genomen vooraleer er een beslising is genomen door de RvV, kan een vordering tot voorlopige maatregelen in uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend worden om de uitwijzing te schorsen.

  • Vordering tot schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) bij de
    RvV

Een vordering tot schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden in gesteld tegen een bevel om het grondgebied te verlaten met inreisverbod en vasthouding met het oog op verwijdering (bijlage 13 septies). Een UDN-vordering kan immers enkel ingesteld worden indien uitwijzing imminent of nakend is, zoniet is de vordering onontvankelijk. In de praktijk impliceert dit detentie in een gesloten centrum.

De vordering moet worden ingesteld binnen de 5 dagen (waarvan minstens 3 werkdagen). De RvV moet zich binnen de 72 uur uitspreken. In afwachting van de beslissing kan betrokkene niet gedwongen verwijderd worden.

Als betrokkene een vordering tot “gewone” schorsing heeft ingediend waarop nog geen antwoord werd gegeven en betrokkene wordt vervolgens het voorwerp van een maatregel van detentie, dan kan via het vragen van voorlopige maatregelen in UDN de versnelde behandeling gevraagd worden van die vordering tot schorsing.

  • Beroep in kortgeding voor de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg

In dringende gevallen, zelfs indien er geen beroep bij de RvV werd ingediend of wanneer de RvV het annulatie- en schorsingsberoep reeds heeft afgewezen, kan de schorsing gevorderd worden van een uitwijzingsmaatregel bij de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de vreemdeling. In geval van schorsing geldt een tijdelijk verbod van uitwijzing.

  • Beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Na de beroepsmogelijkheid bij de RvV te hebben uitgeput, kan in geval van mogelijke schending van artikel 3 EVRM een beroep bij het EHRM worden ingesteld teneinde een tijdelijk verbod op uitwijzing te bekomen (rule 39). Er is sprake van een schending van artikel 3 EVRM wanneer een uitwijzing een ernstig risico op foltering met zich mee zou brengen of een onmenselijke of vernederende behandeling.

Top 


Opvolging BGV door gemeente en Sefor

Betekening en identificatie

Wanneer de gemeente een uitwijzingsbevel van de DVZ ontvangt, stuurt de gemeente een oproepingsbrief naar de betrokkene. De betrokkene dient zich dan bij de gemeente aan te bieden om zich de beslissing te laten betekenen.

 

Bij de betekening van een uitwijziginsbevel moet de gemeente de betrokkene informatie geven over:

  • de gevolgen van het bevel om het grondgebied te verlaten en de beroepsmogelijkheden ertegen,
  • het feit dat hij een tweede keer zal worden opgeroepen om inlichtingen te verstrekken over de voorbereiding van zijn terugkeer,
  • het feit dat er een onderzoek zal plaatsvinden van zijn woonplaats wanneer de termijn die toegekend wordt om het grondgebied te verlaten verstrijkt om te controleren of hij gevolg heeft gegeven aan het uitwijzingsbevel,
  • de gevolgen van het verblijven op het grondgebied na het verstrijken van de toegekende termijn (detentie in gesloten centrum of woonunit),
  • de mogelijke bijstand bij vrijwillige terugkeer.

Wanneer de betekening gebeurt per aangetekende brief op de gekozen woonplaats of per fax als de betrokkene woonplaats heeft gekozen bij zijn advocaat brengt de DVZ de gemeente hiervan op de hoogte. De gemeente nodigt de betrokkene ook dan uit om hem te informeren zoals hierboven aangegeven.

 

Indien de betrokkene zich niet aanbiedt op de voorziene datum wordt een onderzoek van de verblijfplaats uitgevoerd om te achterhalen waarom hij zich niet heeft aangeboden.

 

Daarnaast moet de gemeente overgaan tot de identificatie van de betrokkene. De gemeente zal de betrokkene in de oproepingsbrief vragen zijn identiteitsdocumenten en drie pasfoto’s mee te brengen. Er wordt dan door de gemeente een identificatieformulier ingevuld waaraan de drie pasfoto’s van de betrokkene worden gevoegd alsook een kopie van zijn identiteitsdocumenten. De betrokkene ondertekent het identificatieformulier en ontvangt er een kopie van.

 

Een kopie van de kennisgeving van het uitwijzingsbevel en het identificatieformulier wordt overgemaakt aan bureau Sefor van de DVZ.

 

Indien de betrokkene niet beschikt over geldige reisdocumenten dient hij zich binnen de drie werkdagen met de kopie van het identificatieformulier en een pasfoto aan te bieden bij bureau Printrak van de DVZ met het oog op het nemen van vingerafdrukken voor het bepalen van zijn identiteit.

 

Als de betrokkene na de afgifte van het uitwijzingsbevel een nieuwe verblijfsprocedure heeft opgestart, dan contacteert bureau Sefor het andere bureau dat de aanvraag behandelt en vraagt het om die nieuwe aanvraag prioritair te behandelen.

 

Top 

Vrijwillige terugkeer

De vreemdeling moet in principe zelfstandig het land verlaten. De gemeente informeert hem over de mogelijkheid tot vrijwillige terugkeer bij de betekening van de uitwijzingsbeslissing en over de mogelijkheid een beroep te doen op een terugkeerconsulent van Fedasil.

 

Op een tweede afspraak wordt de betrokkene gevraagd aan te tonen welke stappen hij ondernomen heeft met het oog op vrijwillige terugkeer. Niet ingaan op de uitnodigingen van de gemeente kan beschouwd worden als een risico op onderduiken.

 

Hij moet aan de gemeente de volgende gegevens verstrekken: de datum van vertrek, de plaats van vertrek, de bestemming en een kopie van zijn vervoersbewijs. Deze gegevens worden door de gemeente doorgestuurd aan Sefor.

 

Als de betrokkene niet meer in het bezit is van identiteitsdocumenten om naar zijn herkomstland terug te keren, moet hij bij de ambassade van zijn herkomstland een paspoort of een laissez-passer aanvragen.

 

Indien de betrokkene niet over de nodige middelen beschikt, kan hij beroep doen op het vrijwillige terugkeerprogramma. Dit programma voorziet in een vliegtuigticket, begeleiding op de luchthavens en eventueel een premie en materiële steun in het herkomstland. Dit programma wordt uitgevoerd door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en door Caritas International onder supervisie van Fedasil.

 

Na het verstrijken van de termijn die werd toegekend om het grondgebied te verlaten, zal de politie het adres van de betrokkene controleren om vast te stellen of betrokkene al dan niet vertrokken is. Dit onderzoek van verblijfplaats vindt ook plaats als men niet reageert op de oproeping door de gemeente.

 

Het verslag van deze woonstcontrole wordt rechtstreeks overgemaakt aan Sefor en de gemeente ontvangt een kopie ervan.

 

Bij deze adrescontrole speelt het beginsel van de onschendbaarheid van de woning een belangrijke rol. De politie mag immers de woning maar betreden mits toestemming van de betrokkene of een huiszoekingsbevel. Men is dus niet verplicht de deur te openen of de politie binnen te laten maar een weigering kan beschouwd worden als een risico op onderduiken.

 

Begeleidingstraject onwettig verblijvende gezinnen met minderjarige kinderen

Voor onwettig verblijvende gezinnen met minderjarige kinderen die opgevangen worden in een federaal opvangcentrum is een begeleidingstraject voorzien. Dit traject kan leiden tot terugkeer naar het herkomstland wanneer de betrokkenen niet in aanmerking komen om alsnog een verblijfsstatuut te bekomen.  

 

Gedwongen verwijdering

Indien uit de adrescontrole die wordt uitgevoerd door de politie na het verstrijken van de termijn op het BGV blijkt dat de betrokkene nog op zijn verblijfsplaats verblijft, geeft Sefor instructie aan de politie om betrokkene aan te houden en de beslissing tot vasthouding met het oog op de gedwongen verwijdering te betekenen. Na de betekening brengt de politie betrokkene over naar het gesloten centrum of terugkeerwoning.  

 

Top 


Inreisverbod

Een inreisverbod wordt niet automatisch opgelegd bij elke beslissing tot uitwijzing en de duur ervan kan variëren naar gelang de specifieke omstandigheden van elk geval.

 

De DVZ legt evenwel een inreisverbod op met een duur van

  • 3 jaar:
    • Wanneer de uitwijzing geen termijn voor vrijwillig vertrek voorziet, d.w.z. een BGV met 0 dagen,
    • Wanneer geen vrijwillig gevolg werd gegeven aan een eerdere uitwijzing
      • In de praktijk houdt DVZ pas rekening met het (eerste) bevel dat afgeleverd werd NA 1/7/12 (d.i. vanaf datum inwerkingtreding Terugkeerbesluit). Op dat eerste BGV (afgeleverd na 1/7/12) staat in principe een termijn van 30 dagen en is zonder inreisverbod (tenzij in geval van gevaar voor de openbare orde). Wanneer betrokkene binnen de termijn van 30 dagen geen gevolg heeft gegeven aan het BGV, levert de DVZ een tweede BGV met een termijn van 0 tot 7 dagen vergezeld van een inreisverbod.
  • 5 jaar: wanneer fraude werd gepleegd met het oog op het verkrijgen of behouden van een verblijfsrecht
  • meer dan 5 jaar: wanneer de betrokkene een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid

Uitzondering: er wordt geen inreisverbod opgelegd aan slachtoffers van mensenhandel tenzij in geval van openbare orde of nationale veiligheid

  • Kritische opmerking Kruispunt MI: De overheid moet bij het bepalen van de duur van het inreisverbod een evenredigheidstoets in acht nemen. Dit betekent dat de duur van een inreisverbod moet worden bepaald aan de hand van de relevante omstandigheden van het geval. Bovendien moet de duur van het inreisverbod evenredig zijn aan het doel of de reden tot oplegging ervan. 

De DVZ kan beslissen omwille van humanitaire redenen het inreisverbod niet op te leggen.

 

Bij de oplegging van een inreisverbod dient rekening gehouden te worden met een aantal fundamentele rechten:

  • recht op asiel, recht op privé- en gezinsleven, recht op vrijheid van meningsuiting en religie, vrij verkeer van Unieburgers en hun familieleden

Het inreisverbod geldt voor alle deelnemende lidstaten van de Terugkeerrichtlijn. Een inreisverbod gaat gepaard met een signalement in het SIS-systeem. Via dit systeem kunnen alle lidstaten controleren of er door een van hen een inreisverbod werd opgelegd.

  • Inreisverbod geldt in: EU (m.u.v. VK en Ierland), Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein

Elke deelnemende lidstaat moet de staat die het inreisverbod heeft opgelegd raadplegen vooraleer een verblijf af te leveren.

 

De betrokkene kan een opheffing of opschorting van het inreisverbod aanvragen

  • Om humanitaire redenen (dit kan op elk moment gevraagd worden),
  • Om studie- of professionele redenen, nadat 2/3 van de totale looptijd van het inreisverbod verstreken is,
  • Indien men het bewijs kan leveren dat men tijdig gevolg gegeven heeft aan het BGV

De aanvraag tot opheffing of opschorting van het inreisverbod wordt ingediend bij de bevoegde diplomatieke of consulaire post in het buitenland, m.u.v. de derde bovenstaande hypothese. Als de betrokkene kan bewijzen dat hij tijdig gevolg heeft gegeven aan zijn bevel, kan hij de aanvraag tot opheffing of opschorting richten aan de DVZ.

 

De DVZ neemt een beslissing in het kader van haar discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat betrokkene geen recht op intrekking of opschorting kan doen gelden.

 

De wettelijke behandelingstermijn van deze aanvraag bedraagt maximum 4 maanden. Wanneer er niet tijdig een beslissing werd genomen, wordt de beslissing geacht negatief te zijn.

 

Tegen deze (stilzwijgende) beslissing van de DVZ tot weigering van opheffing of opschorting staat een beroep open bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

 

De beslissing tot inreisverbod, hetgeen een afzonderlijke beslissing is t.o.v. het BGV, is vatbaar voor een annulatieberoep bij de RvV. Het termijn om in beroep te gaan bedraagt 30 dagen vanaf de dag na de betekening.

 


Wie doet wat en lexicon

DVZ is bevoegd (binnen het kader van de Verblijfswet):

  • Om beslissingen te nemen dat een vreemdeling het land moet verlaten. Dit worden ook wel "verwijderingsbeslissingen" genoemd. Een betere term is "uitwijzingsbeslissing", aangezien de vreemdeling in eerste instantie geacht wordt om zelfstandig het land te verlaten. 
  • Om een vreemdeling (die een uitwijzingsbeslissing niet opvolgt) op te sluiten (in administratieve detentie) met het oog op een repatriëring. Dit wordt ook wel "gedwongen verwijdering" genoemd. Repatriëring kan echter met of zonder escorte gebeuren.

Voor de uitvoering van dit uitwijzingsbeleid (of "verwijderingsbeleid") is DVZ afhankelijk van de medewerking van andere bevoegde overheden:

  • De gemeenten moeten de beslissingen van DVZ betekenen (kennis geven) aan de vreemdeling. Zij moeten ook informatie doorgeven in beide richtingen (van DVZ naar de vreemdeling, en van de vreemdeling naar DVZ).
  • De politie wordt gevraagd om verblijfcontroles te doen en vreemdelingen eventueel aan te houden na een beslissing tot vasthouding (detentie) met het oog op een repatriëring. De Algemene Inspectie van federale en lokale politie is belast met de controle op de gedwongen terugkeer. De overheid die de uitwijzingsbeslissing neemt, moet onmiddellijk en voor de uitvoering van elke gedwongen terugkeer de Algmene Inspectie verwittigen.
    Bij ernstige incidenten meldt de Algemene Inspectie dit direct aan de Commissaris- generaal van de federale politie en de minister van Binnenlandse zaken.
    Zij stelt ook jaarlijks een verslag op van haar opdracht.
  • Fedasil staat in voor de organisatie van het vrijwillige terugkeerbeleid. De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en Caritas International en diverse lokale partnerorganisaties bieden concrete vrijwillige terugkeerbegeleiding aan vreemdelingen aan (zie www.vrijwilligeterugkeer.be).

Top