Inhoud
Categorieën vreemdelingen
De vreemdelingen die worden vastgehouden in een gesloten centrum zitten niet allemaal in dezelfde administratieve situatie. Het kan gaan om de volgende personen: - Niet toegelaten personen: vreemdelingen aan wie de toegang tot het grondgebied wordt geweigerd omdat zij niet aan de nodige criteria voldoen. Het gaat om personen zonder de nodige reisdocumenten, personen die het doel van hun verblijf niet kunnen aantonen of over onvoldoende bestaansmiddelen beschikken. Zij kunnen worden vastgehouden in het INAD-centrum op de luchthaven.
- Asielzoekers aan de grens: vreemdelingen die eveneens niet voldoen aan de binnenkomstvoorwaarden maar een asielaanvraag indienen aan de grens.
- Asielzoekers op het grondgebied: Artikel 74/6 § 1bis van de verblijfswet somt de situaties op waarin een asielzoeker tijdens de procedure kan worden vastgehouden. De bepaling bevat een lijst van 15 criteria:
- de vreemdeling die sedert minder dan tien jaar uit het Rijk teruggewezen of uitgezet werd, indien de maatregel niet opgeschort of ingetrokken werd; of
- de vreemdeling die, na zijn land verlaten te hebben of na het feit dat hem ertoe gebracht heeft ervan verwijderd te blijven, langer dan drie maanden in een ander land verbleven heeft; of
- de vreemdeling die, na zijn land verlaten te hebben of na het feit dat hem ertoe gebracht heeft ervan verwijderd te blijven, gedurende een totale duur van langer dan drie maanden in verschillende andere landen verbleven heeft, of
- de vreemdeling die in heb bezit is van een geldig vervoerbewijs voor een ander land, op voorwaarde dat hij reisdocumenten bij zich heeft waarmee hij naar dat land kan doorreizen; of
- de vreemdeling die zijn asielaanvraag zonder verantwoording te laat heeft ingediend; of
- de vreemdeling die zich vrijwillig onttrokken heeft aan een bij de grens ingezette procedure; of
- de vreemdeling die zich gedurende minstens vijftien dagen onttrekt aan de meldingsplicht; of
- de vreemdeling die zonder reden zijn aanvraag niet ingediend heeft op het ogenblik dat de grensautoriteiten informeerden naar zijn motief om naar België te reizen; of
- de vreemdeling die reeds een andere asielaanvraag ingediend heeft; of
- de vreemdeling die weigert zijn identiteit of nationaliteit mee te delen of valse informatie verstrekt of valse of vervalste identiteits- of reisdocumenten verstrekt; of
- de vreemdeling die een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of zich daarvan ontdaan heeft; of
- de vreemdeling die een asielaanvraag indient om de uitvoering van een eerdere of van een op handen zijnde beslissing die tot zijn verwijdering zou leiden, uit te stellen of te verijdelen; of
- de vreemdeling die de afname van vingerafdrukken bemoeilijkt; of
- de vreemdeling die bij het indienen van zijn asielaanvraag niet aangegeven heeft dat hij reeds een asielaanvraag in een ander land heeft ingediend; of
- de vreemdeling die weigert de vragenlijst van DVZ in te vullen
- Asielzoekers in het kader van de Dublin-procedure: Als de DVZ vaststelt dat een andere EU-lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, dan kan België de overname vragen aan deze andere lidstaat. In afwachting van het antwoord van die lidstaat kan een asielzoeker worden opgesloten in een gesloten centrum als:
- hij een verstreken visum heeft voor een andere Dublin-staat;
- hij geen geldige binnenkomstdocumenten heeft en verklaart in een andere Dublin-staat te hebben verbleven;
- er bij de afname van vingerafdrukken blijkt dat hij in een Dublin-staat verbleven heeft
- Illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen: de DVZ kan deze vreemdelingen vasthouden met het oog op repatriëring wanneer zij het voorwerp uitmaakten van een bevel om het grondgebied te verlaten of een uitwijzingsbeslissing.
Gesloten centra België beschikt over zes gesloten centra die beheerd worden door de Dienst Vreemdelingenzaken: - Hier worden asielzoekers en personen in illegaal verblijf vastgehouden.
- Er zijn aparte vleugels voorzien voor gezinnen, alleenstaande vrouwen of vrouwen met kinderen.
- Max. 120 inwoners
- Hier worden personen in illegaal verblijf in afwachting van hun repatriëring vastgehouden en afgewezen asielzoekers (binnenland en grensprocedure) opgevangen in afwachting van de verwijdering van het grondgebied.
- Uitsluitend voorbehouden voor mannen
- Max. 172 bewoners
- Hier worden personen in illegaal verblijf in afwachting van hun repatriëring vastgehouden en afgewezen asielzoekers (binnenland en grensprocedure) opgevangen in afwachting van de verwijdering van het grondgebied.
- Max. 112 bewoners
- Centrum voor illegalen Vottem (CIV, Rue Visé-Voie 1, 4041 Vottem)
- Hier worden personen in illegaal verblijf in afwachting van hun repatriëring vastgehouden en afgewezen asielzoekers (binnenland en grensprocedure) opgevangen in afwachting van de verwijdering van het grondgebied.
- Hoog aantal ex-gedetineerden
- Voorbehouden voor mannen
- Max. 160 bewoners
Regime en de werkingsmaatregelen >> Lees meer over het regime en de werkingsmaatregelen in de gesloten centra
Duur van de opsluiting Volgens de verblijfswet kunnen vreemdelingen worden aangehouden en opgesloten voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de verwijderingsmaatregel. Principe: maximum 2 maanden In principe is de duur van de vrijheidsberoving beperkt tot maximum 2 maanden. Verlengingen mogelijk: - tot maximum 5 maanden
Verlengingen van de maximum opsluitingstermijn van 2 maanden met telkens 2 maanden zijn mogelijk, mits voldaan is aan deze 3 voorwaarden:
- DVZ heeft de nodige stappen gezet met het oog op de verwijdering van de vreemdeling, binnen de 7 werkdagen na de opsluiting
- Deze stappen worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid
- De effectieve verwijdering van de vreemdeling is binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk
De eerste beslissing tot verlenging kan genomen worden door de minister van binnenlandse zaken of de DVZ. Daarna kan enkel nog de minister zelf beslissen over de verlenging.
De totale maximum opsluitingstermijn in dit geval bedraagt 5 maanden.
- tot maximum 8 maanden
Enkel in gevallen van bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid kan de maximumtermijn van 5 maanden telkens verlengd worden met één maand. Maar de totale duur van de opsluiting mag in dit geval niet langer zijn dan 8 maanden.
Uitzonderingen: Wanneer het gaat om een vasthouding in afwachting van het bepalen van de staat die verantwoordelijk is voor het asielonderzoek in het kader van de Dublin II Verordening, mag dit slechts voor de duur die strikt noodzakelijk is voor dit onderzoek en deze duur mag in principe niet langer zijn dan één maand. Wanneer het een complex dossier betreft, mag de DVZ de aanhouding met één maand verlengen.
Een asielzoeker kan ook worden vastgehouden wanneer vast staat dat zijn asielverzoek ten laste wordt genomen door een andere staat en dit in afwachting van zijn overbrenging naar die staat. In dit geval mag de termijn van de vasthouding maximaal twee maanden bedragen. Verlenging is hier niet mogelijk maar het kan zijn dat de asielzoeker reeds een maand vastgehouden werd in het kader van het onderzoek naar de verantwoordelijke staat. De vreemdelingenwet bepaalt immers dat er geen rekening wordt gehouden met een eventuele dubbele termijn van één maand tijdens welke de DVZ onderzoekt welke staat het asielverzoek ten laste dient te nemen.
- Beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
De asielzoeker die een beroep instelt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ziet zijn detentietermijn geschorst tijdens de termijn van het beroep 15 dagen). Als de RvV het dossier terug overmaakt aan het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen voor bijkomend onderzoek, is er een schorsing van de detentietermijn met één maand.
Wanneer een poging tot repatriëring mislukt door toedoen van de vreemdeling, kan de DVZ beslissen om opnieuw over te gaan tot detentie. Dit wordt niet beschouwd als een verlenging. Het Hof van Cassatie bevestigde dit meerdere malen (arresten van 31 augustus 1999, 28 september 1999, 2 november 1999 en 31 maart 2004). Het Hof stelt dat geen enkele wetsbepaling in de weg staat dat, wanneer de uitvoering van de verwijdering van een vreemdeling enkel omwille van zijn wederrechtelijk verzet niet is gebeurd, een nieuwe beslissing overeenkomstig art. 74/5, § 1 van de verblijfswet wordt getroffen. Het EHRM kwam eveneens tot hetzelfde besluit in zijn arrest van 2 juni 2005 (nr. 52467/99 Kabongo/België). Geen enkel element uit het dossier laat het Hof toe te besluiten dat het Hof van Cassatie een manifest verkeerde interpretatie gegeven heeft aan de desbetreffende wetsbepalingen. In de praktijk kan dit leiden tot een onbeperkte opsluitingsduur.
Procedures en rechtsmiddelen Procedure tegen de vrijheidsberoving - Verzoek tot invrijheidsstelling bij de Raadkamer van de Correctionele Rechtbank
De van zijn vrijheid beroofde vreemdeling kan elke maand, vanaf de eerste dag van de opsluiting, een verzoekschrift instellen bij de Raadkamer. Deze beroepsmogelijkheid is echter beperkt tot een wettigheidscontrole (art. 72 van de wet van 15 december 1980). De Raadkamer zal zich dus niet uitspreken over de opportuniteit van de beslissing tot vrijheidsberoving. De rechtspraak van de Raadkamer van de verschillende gerechtelijke arrondissementen is niet eenduidig. De grens tussen de controle van de wettelijkheid en de opportuniteit is soms dun. Het instellen van een verzoek tot invrijheidsstelling schort de uitvoering van de verwijderingsmaatregel niet op. Hierdoor wordt het beroep bij de Raadkamer vaak weinig effectief. De effectiviteit van dit beroep kan bovendien verschillen per gerechtelijk arrondissement.
- Kamer van Inbeschuldigingstelling
Tegen de beslissing van de Raadkamer kan een beroep worden ingesteld bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling. De beroepstermijn bedraagt 24 uur. De Dienst Vreemdelingenzaken kan zelf ook beroep instellen tegen de beslissing van de Raadkamer. De vreemdeling blijft dan opgesloten tot de KI zich uitspreekt.
Procedure tegen de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel - Beroep tot nietigverklaring en vordering tot schorsing bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
Tegen een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel kan de vreemdeling een beroep tot nietigverklaring aantekenen bij de RvV, eventueel gepaard gaande met een vordering tot schorsing. De vordering tot schorsing kan ook ingesteld worden bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het feit dat de betrokkene opgesloten is in een gesloten centrum wijst erop dat de uitvoering van de verwijderingsmaatregel imminent is en een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is aangewezen. Het uiterst dringend karakter volgt wel niet automatisch uit het feit dat de betrokkene zich in detentie bevindt.
Eenzijdig verzoekschrift bij de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg
Tegen de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel kan men ook een procedure in kortgeding instellen bij de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg (art. 584 Ger. W.). De bewijslast om hoogdringendheid te bewijzen is hier minder zwaar. De rechter kan een andere beslissing nemen dan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dat uitvoering van een verwijderingsmaatregel voorlopig verbieden tot er een definitieve uitspraak is van de RvV over de schorsing.
- Beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Tegen een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel kunnen voorlopige maatregelen voor het EVRM gevraagd worden, in toepassing van art. 39 van het reglement van het Hof. Dit kan reeds ingediend worden alvorens de RvV zich heeft uitgesproken in uiterst dringende noodzakelijkheid (argumenterend dat het beroep UDN voor de Nederlandstalige kamers toch niet effectief is: art. 13 van EHRM), maar het is meest aangewezen om dit zo snel mogelijk na de uitspraak van de RvV in UDN te doen.
Belangrijk: zelfs indien men geen beroep UDN heeft ingediend voor de RvV (of geen vordering tot nietigverklaring), dan heeft het toch nog zin om beroep aan te tekenen bij het EHRM in Straatsburg (aanvoerend dat een beroep voor de RvV toch niet effectief is).
Er is een formulier voor een verzoekschrift op de website van het Hof. Het formulier kan ook online ingevuld worden.
Het is noodzakelijk dat de advocaat zijn cliënt ontmoet om kennis te hebben van zijn verhaal en de specifieke omstandigheden van zijn persoonlijke situatie, en om alle mogelijke bewijsstukken te verzamelen ter ondersteuning van zijn verzoek.
Het EHRM kent voorlopige maatregelen toe in twee situaties : - Specifieke kwetsbaarheid (handicap, trauma, alleenstaande moeder met kinderen, oudere personen, enz….) : een transfer naar Griekenland bijvoorbeeld is op zich in strijd met art. 3 EVRM (omstandigheden van de opvang en de procedures).
- Profiel van de bescherming (door elementen aan te voeren die aangeven dat de cliënt nood heeft aan internationale bescherming): schending van art. 3 EVRM door het risico op ‘refoulement’.
Het EHRM kent soms ook voorlopige maatregelen toe gedurende 1 à 2 weken terwijl ze de advocaat verzoekt om het dossier te vervolledigen
Indien het dossier voor het Hof in orde lijkt te zijn, gelast ze voorlopige maatregelen tot nader order.
De DVZ bevestigt dat ze inderdaad wachten op een nieuwe uitspraak van het Hof over de grond van een verzoek alvorens ze hun beleid aanpassen. Er zijn daarentegen wel reeds vonnissen geweest die Griekenland veroordelen voor onmenselijke en vernederende behandeling.
In het geval van een “rule 39” voor 2 weken, komt het zelden voor dat de DVZ spontaan overgaat tot invrijheidstelling. Daarentegen gaat men wel regelmatig over tot invrijheidstelling, indien het gaat om een “rule 39” tot nader order. Anders kan men eventueel een verzoek tot invrijheidstelling overwegen.
Klachtenprocedure Het KB van 2 augustus 2002 voorziet in een individueel klachtrecht voor elke bewoner van een gesloten centrum. Een Klachtencommissie behandelt deze klachten over de toepassing van het KB en het huishoudelijk reglement.
In de praktijk bleek echter dat deze klachtenprocedure weinig effectief was. De behandeling van de klachten werd namelijk onderworpen aan strenge ontvankelijkheidsvoorwaarden die strikt werden toegepast door de centra. De Commissie buigt zich enkel over de klachten die ontvankelijk worden verklaard door het permanent secretariaat van de Klachtencommissie. Zo was een klacht slechts ontvankelijk wanneer zij werd ingesteld binnen de vijf dagen na de beslissing of het feit dat aan de basis lag van de klacht. Deze bepaling (art. 6,2) van het MB van 23 januari 2009) werd door de Raad van State vernietigd in een arrest van 3 maart 2010. Door een nieuw MB van 30 juni 2010 is een klacht ontvankelijk als ze wordt ingediend binnen de vijf dagen dat de klager daadwerkelijk kennis kreeg van de beslissing of het feit. Het is nog afwachten of deze wijziging de effectiviteit van de klachtenprocedure in de praktijk zal doen toenemen.
Beroepsmogelijkheden bij Dublin-procedure
>> Lees meer over de beroepsmogelijkheden bij de Dublin-procedure
Minderjarigen in detentie?
Het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en de Grondwet (art. 22bis) stellen dat alle maatregelen die betrekking hebben op kinderen, het hoger belang van het kind als eerste doel moeten hebben.
Artikel 37 van het IVRK bepaalt bovendien dat geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn vrijheid mag worden beroofd. De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een kind moet geschieden in overeenstemming met de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst passende duur.
Niet-begeleide minderjarige vreemdelingen
De wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en bepaalde andere categorieën van vreemdelingen voorziet dat NBMV niet langer dan zes werkdagen kunnen worden opgesloten in de gesloten centra aan de grens. In alle andere gevallen verbiedt de wet uitdrukkelijk de opsluiting van NBMV. De NBMV worden dus in principe niet meer vastgehouden in gesloten centra maar worden onthaald in één van de twee observatie- en oriëntatiecentra (OOC).
Kinderen in gezinnen
Voor kinderen die vergezeld worden door hun ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent over hen en die dus niet beschouwd worden als niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, wordt de opsluiting niet uitdrukkelijk in de wet verboden.
Kinderen werden samen met hun ouders in de gesloten centra opgesloten tot 2008.
Sinds 1 oktober 2008 verblijven er geen kinderen meer in de gesloten centra maar het bleef mogelijk om de gezinnen die aan de grens worden aangehouden en aan wie de toegang tot het grondgebied wordt ontzegd, in een gesloten centrum onder te brengen.
Op 22 april 2010 werd het KB van 14 mei 2009 betreffende de woonunits aangepast zodat nu ook deze gezinnen aan de grens kunnen worden ondergebracht in de woonunits. Hiervoor worden de woonunits door middel van een juridische fictie gelijkgesteld met plaatsen aan de grens.
Een wettelijke verankering van het verbod op opsluiting van kinderen is er nog steeds niet.
Op 19 januari 2010 veroordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg de opsluiting van kinderen in het gesloten centrum 127bis. Het Hof oordeelde dat er sprake was van onmenselijke en vernederende behandeling (artikel 3 EVRM) en dat het recht op vrijheid en veiligheid (artikel 5, §1 EVRM) werd geschonden. >>Lees hier het arrest EHRM 19/1/2010, nr. 41442/07 (Muskhadzhiyeva e.a. tegen België). Feiten:
Een alleenstaande Tsjetsjeense moeder met vier kleine kinderen wordt eind december 2006 opgesloten in het gesloten centrum 127bis nadat ze een uitwijzingsbevel had gekregen, in het kader van de Dublinverordening. De Dienst Vreemdelingenzaken besliste dat Polen bevoegd was voor de behandeling van hun asielaanvraag.
Een vraag tot vrijlating ingediend bij de Raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel werd afgewezen. Hoewel Artsen Zonder Grenzen vastgesteld had dat de kinderen ernstige psychische en psychosomatische klachten vertoonden, en dat vrijlating de schade zou beperken, bevestigde het Hof van beroep de beslissing van de Raadkamer. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de zaak zonder voorwerp was aangezien het gezin ondertussen uitgewezen was. Het gezin werd meer dan een maand opgesloten in het centrum 127bis.
Eens in Polen oordeelde een psycholoog dat de psychologische toestand van een van de kinderen erg kritiek was en te wijten was aan de detentie in België. Beoordeling door het Hof:
Het Hof had al eerder geoordeeld dat de opsluiting van niet begeleide minderjarige vreemdelingen in een gesloten centrum ongeoorloofd is (zaak Tabitha 12/10/2006).
In de voorliggende zaak waren de kinderen niet gescheiden van hun moeder. Het Hof oordeelde dat ook in dit geval de overheid de plicht heeft om kinderen te beschermen.
De kinderen waren jong (zeven, vijf, drieënhalf en de jongste zeven maanden), de opsluiting duurde meer dan een maand in een voor kinderen totaal onaangepaste omgeving en men heeft geen rekening gehouden met de vaststellingen van onafhankelijke artsen. Om die redenen oordeelde het Hof dat er sprake was van onmenselijke en vernederende behandeling (artikel 3 EVRM).
De opsluiting van vier kleine kinderen gedurende meer dan een maand in een omgeving die niet is aangepast aan hun extreme kwetsbaarheid, ook al waren ze niet gescheiden van hun moeder, is eveneens een schending van het gewaarborgde recht op vrijheid en veiligheid (artikel 5, §1 EVRM).
Het arrest verwijst ook naar verschillende rapporten – o.m. het rapport opgesteld door Sum Research in opdracht van de toenmalige Belgische minister van binnenlandse zaken, een rapport opgesteld door de Kinderrechtencommissaris van de Franse Gemeenschap, een rapport opgesteld door Europese Parlementsleden - die duidelijk stellen dat het centrum 127bis totaal niet is aangepast aan de opsluiting van kinderen.
De opsluiting van de moeder werd door het Hof niet veroordeeld. Haar opsluiting maakte geen schending uit van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, ook al had zij als moeder erg te lijden onder hetgeen haar kinderen doormaakten.
De Belgische Staat werd ook veroordeeld tot een morele schadevergoeding van 17000€. Bron: EHRM 19/1/2010, nr. 41442/07 (Muskhadzhiyeva e.a. tegen België)
- Terugkeerwoningen
Op initiatief van de toenmalige minister van Migratie- en Asielbeleid, Annemie Turtelboom, werd in oktober 2008 gestart met een project van “terugkeerhuizen”. Het gaat om een alternatief voor de opsluiting van gezinnen in gesloten centra.
De gezinnen worden niet langer opgesloten in een gesloten centrum maar komen terecht in een open woonunit waar een coach van de Dienst Vreemdelingenzaken hen begeleidt.
Deze terugkeerwoningen, gelegen in Zulte, Tubize en Sint-Gillis-Waas, zijn aangepast aan de behoeften van een gezin en hebben een open structuur. Medische zorg in deze woonunits wordt verzekerd. De familie is vrij om de woonunit te verlaten om boodschappen te doen, een advocaat te raadplegen, zich naar een arts te begeven of om de kinderen naar school te brengen. Er moet wel steeds een volwassen familielid aanwezig blijven in de woning.
Ondanks de open structuur van de woningen gaat het juridisch nog steeds om een vrijheidsberoving in de zin van art. 74/5 en 74/6 van de Vreemdelingenwet. Bovendien kan een familie die niet meewerkt aan de effectieve terugkeer toch worden overgebracht naar een gesloten centrum. Beroep bij de Raadkamer middels een verzoek tot invrijheidsstelling kan worden ingesteld tegen de plaatsing in een terugkeerwoning.
Zieken in detentie Uitwijzing met vrijheidsberoving die geen rekening houdt met ernstige ziekte is onregelmatig. - Het Hof van Beroep van Brussel (Kamer van Inbeschuldigingstelling) besliste in het arrest van 9 maart 2012 dat de overheid bij het geven van een bevel om het grondgebied te verlaten met een beslissing tot vrijheidsberoving rekening moet houden met de gezondheidstoestand van de vreemdeling.
Hierbij werd rekening gehouden met Artikel 5 van Terugkeerrichtlijn. >> lees meer over dit arrest. - Het doktersverslag vermeldt dat de betrokkene HIV-positief is en dat hij daarvoor op korte termijn een aangepaste behandeling nodig heeft. De dokter specifieert verder dat de betrokkene daarvoor aangewezen is op een ziekenhuis gespecialiseerd in HIV. De betrokkene werd ter zitting door het openbaar ministerie ‘no fit to fly’ verklaart. Dit impliceert dat hij niet in aanmerking komt voor onmiddellijke repatriëring. De vrijheidsberoving doorstaat in dit geval niet de toets aan artikel 3 en 5.1 EVRM. (Raadkamer Antw. 22 augustus 2012)
- De bestreden beslissing houdt geen rekening met de ingeroepen medische toestand van de verzoekster. Uit het dossier blijkt dat de ziekte een etiologische opvolging vereist. Gezien de algemeen bekende huidige situatie in Congo en gezien de zeer precaire sanitaire en geneeskundige voorzieningen aldaar, kan deze opvolging er onmogelijk verzekerd worden. (Raadkamer Dendermonde 55.97.20630/12/7, 10 juli 2012)
België veroordeeld voor de detentie van een HIV patiënte Het EHRM oordeelt de detentie van een HIV positieve vrouw zonder de nodige medische zorgen in strijd met artikel 3 en 5 EVRM, en het gebrek aan effectief rechtsmiddel hiertegen in strijd met artikel 13 EVRM. De uitwijzing werd niet in strijd geacht met het EVRM, al hadden 6 rechters hierover een afwijkende mening. >> lees meer
|