Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 284.559 - 9-02-2023

Samenvatting

De Raad kan in principe de gemachtigde volgen dat het aanhalen van niet over voldoende financiële middelen te beschikken of geen netwerk te hebben mogelijk in vele gevallen niet volstaat. Echter in casu heeft verzoeker wel elementen aangehaald in de aanvraag om dit te staven en blijken ook verschillende elementen in het administratief dossier die dit ondersteunen. Het argument dat verzoeker geen netwerk heeft in Pakistan kan in casu niet op redelijke wijze zonder meer als een loze bewering worden beschouwd. Niet alleen is Pakistan niet het herkomstland van verzoeker, bijkomend is de gemachtigde immers op de hoogte dat verzoeker op het ogenblik van de bestreden beslissing reeds tien jaar in België verblijft en dat hij samen met zijn oom en neef Afghanistan is ontvlucht en reeds in 2012 een eerste verzoek om internationale bescherming indiende. De gemachtigde is er ook van op de hoogte dat deze oom en neef in België subsidiaire bescherming hebben gekregen en verzoeker heeft ook in de aanvraag reeds gewezen op zijn band met zijn oom en dat ook gestaafd met een “stuk 11” waaruit inderdaad blijkt dat verzoeker werd ingeschreven als ten laste van zijn oom op hetzelfde adres als zijn oom en neef. […] Verzoeker had ook aangestipt dat hij had verklaard in het kader van een volgend verzoek waarin men hem de vraag stelde hoe hij in België overleeft, dat hij na zijn negatieve beslissing de steun kreeg van zijn nonkel genaamd H.O. De Raad stelt evenwel vast dat verzoeker ook loonfiches heeft gevoegd bij zijn aanvraag, hetgeen wel wijst op financiële middelen, doch die hebben betrekking op de periode dat hij in het kader van zijn derde procedure van internationale bescherming – die overigens toch 3 jaar en acht maanden heeft geduurd van 4 november 2015 tot 31 juli 2019 – mocht werken. Echter nadien en dit reeds sedert midden 2019 heeft verzoeker niet meer het recht te werken, […] Bijgevolg moet in casu sedert midden 2019 aangenomen worden dat verzoeker niet meer in de mogelijkheid is in zijn eigen behoeften te voorzien en heeft hij ook duidelijk verklaard dat zijn oom hem ondersteunt. Op het ogenblik van de bestreden beslissing, zijnde op 26 augustus 2022, heeft de gemachtigde aldus in de context van dit specifiek dossier niet op redelijke noch op zorgvuldige wijze gemotiveerd dat verzoeker maar een loutere verklaring aflegt dat hij niet over voldoende financiële middelen beschikt om zijn aanvraag in een ander derde land, zijnde Pakistan, te moeten indienen. Zoals verzoeker eveneens terecht aanstipt, moet hij niet de onmogelijkheid aantonen een aanvraag in Islamabad in te dienen, doch wel dat het bijzonder moeilijk is voor hem.