16 december 2016

In twee arresten, eerst in uiterst dringende noodzakelijkheid en daarna ten gronde, schorst en vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) de weigering van DVZ om een verblijf op basis van artikel 9ter van de Verblijfswet te verlengen en het bijhorende bevel om het grondgebied te verlaten (BGV). De RvV oordeelt dat DVZ zich niet uitsluitend kon baseren op het advies van de DVZ-arts om te beslissen tot een voldoende ingrijpende en niet-voorbijgaande verandering van de omstandigheden op grond waarvan DVZ de machtiging tot verblijf verleende. Dit omdat de DVZ-arts geen specialist is in de materie en desondanks geen contact opnam met de behandelende specialist. Opmerkelijk is ook dat de RvV zich onder meer baseert op medische rapporten die bij het beroep voor het eerst werden toegevoegd.

Verzoekster, van Armeense nationaliteit, kreeg in 2014 een tijdelijke machtiging tot verblijf op basis van artikel 9ter van de Verblijfswet (Vw) op basis van haar medische toestand. Zij leed onder meer aan leukemie en hepatitis B. Een jaar later weigert DVZ de verlenging van de machtiging tot verblijf omdat niet meer zou voldaan zijn aan de aan het verblijf gestelde voorwaarden. Dit omdat de omstandigheden op grond waarvan de machtiging werd verleend zodanig gewijzigd zouden zijn dat deze machtiging niet langer nodig is. De verandering van deze omstandigheden zou een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter hebben.

De RvV volgt de redenering van verzoekster en stelt dat DVZ de motiveringsplicht samen met artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) schendt.

In medische rapporten die verzoekster aanbracht, benadrukken verschillende dokters dat er een hoog risico is op hervallen, dat gespecialiseerde onderzoeken noodzakelijk zijn en dat, indien zij zou hervallen, zij onmiddellijk een zware behandeling moet ondergaan. Door deze elementen stelde de RvV zich vragen over het ‘niet-voorbijgaand’ karakter van de verandering in omstandigheden. De RvV meent dat DVZ geen genoegen kon nemen met het volgen van het advies van de DVZ-arts die geen specialist is in de aandoening van verzoekster. Hij had contact moeten opnemen met de behandelende arts om het risico op hervallen te onderzoeken.

Deze laatste vaststelling van de RvV kan in verband gebracht worden met het recente Verslag Medische Regularisatie van de Federale Ombudsman. Daarin stelt de Ombudsman vast dat een interne instructie bestaat van 14 juni 2012 van de hiërarchie van de Directie Uitzonderlijk Verblijf die de DVZ-artsen verbiedt om contact op te nemen met de huisarts van de aanvrager. Volgens de Federale Ombudsman moet DVZ de interne instructie intrekken en de interactie tussen DVZ-artsen en huisartsen (deskundigen) toelaten om deontologische, praktische, ethische redenen en met het oog op transparantie.

Interessant is ook dat de RvV niet enkel bij de schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid, maar ook voor de nietigverklaring ten gronde, rekening houdt met medische rapporten die DVZ op het moment van het nemen van de bestreden beslissingen niet had.

De RvV wijst er op dat hij op basis van artikel 39/82, §4, lid 4 Vw alle elementen moet onderzoeken die de partijen aan hem voorleggen in het kader van een verzoek tot schorsing. In het arrest ten gronde houdt de RvV ook rekening met deze elementen. Dit om een situatie te vermijden waarin hij voor de beoordeling van een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid met bepaalde elementen rekening moet houden, waarmee hij bij de latere beoordeling ten gronde geen rekening zou kunnen houden. Verschillende elementen in rekening brengen, zou volgens de RvV de rechtszekerheid schaden, daarom beslist hij ook rekening te houden met elementen ingeroepen na het nemen van de administratieve beslissing.

Artikel 39/82, §4, lid 4 Vw werd in 2014 gewijzigd ten gevolge van rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Toch wijst de Federale Ombudsman er in het Verslag Medische Regularisatie op dat de rechtspraak van het EHRM en het Europese Hof van Justitie, eigenlijk verdere aanpassingen vergen van de procedure voor de RvV om in een daadwerkelijke beroepsprocedure te voorzien zoals artikel 13 EVRM waarborgt. De Federale Ombudsman beveelt daarom het Parlement aan om een schorsend beroep in volle rechtsmacht te voorzien voor de RvV tegen weigeringsbeslissingen voor 9ter-aanvragen.

De Belgische Staat tekende cassatieberoep aan tegen het arrest van de RvV.