19 oktober 2016

De Verblijfswet (Vw) voorziet in een aantal uitzonderingen op de mogelijkheid voor DVZ om het verblijfsrecht van een derdelands familielid van een Belg of Unieburger te beëindigen. De uitzondering in artikel 42quater §4, 1° Vw omvat verschillende hypothesen. Die hypothesen kunnen niet cumulatief toegepast worden. De mogelijkheid om het verblijfsrecht te beëindigen wegens feitelijke scheiding is uitsluitend toepasbaar op bloedverwanten in opgaande of neergaande lijn. Dat zegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) in een arrest van 16 juni 2016 (nr. 169.961).

Artikel 42quater §1, 4° Vw geeft de mogelijkheid aan DVZ om binnen vijf jaar na de erkenning van het verblijfsrecht een einde te stellen aan het verblijf van het derdelands familielid van een Unieburger (of Belg) in de volgende gevallen:

  • Het huwelijk met de Unieburger wordt ontbonden of nietig verklaard;
  • Het (al dan niet gelijkgesteld) geregistreerd partnerschap wordt beëindigd;
  • Er is geen gezamenlijke vestiging meer.

Maar volgens artikel 42quater §4, 1° Vw kan DVZ het verblijfsrecht toch niet beëindigen wanneer het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk.(…)”

Uit het gebruik van het woord ‘of’ volgt dat het gaat om drie, naast elkaar bestaande, onderscheiden uitzonderingsgronden, die overeenkomen met de drie onderscheiden beëindigingsgronden in artikel 42quater §1, 4° Vw. Dit wil zeggen:

  •  Als het huwelijk ontbonden of nietig verklaard wordt, mag DVZ geen einde maken aan het verblijf als het huwelijk bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk;
  • Als het geregistreerd partnerschap beëindigd wordt, mag DVZ geen einde maken aan het verblijf als het geregistreerd partnerschap ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk;
  • Als de gezamenlijke vestiging beëindigd wordt, mag DVZ geen einde maken aan het verblijf als de gezamenlijke vestiging ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk.

De verschillende hypothesen bij de uitzonderingen kunnen dus niet cumulatief toegepast worden, maar komen elk overeen met een specifieke beëindigingsgrond in artikel 42quater §1, 4° Vw. Om van de uitzondering te genieten moet het derdelands familielid bijkomend bewijzen dat het werkt of voldoende bestaansmiddelen heeft om niet ten laste te vallen van de sociale bijstand en moet het een ziekteverzekering hebben. Of deel uitmaken van een gezin dat voldoet aan die voorwaarden.

In deze zaak had DVZ het verblijfsrecht beëindigd van een ex-echtgenoot van een Belg, die drie jaar gehuwd was met die Belg, waarvan één jaar huwelijk in België. Het voormalig familielid had een arbeidscontract en een ziekteverzekering. Volgens DVZ kon de vrouw niet genieten van de uitzondering in artikel 42quater §4, 1° Vw omdat het koppel al na anderhalf jaar na de gezinshereniging feitelijk gescheiden leefde. Daardoor had de gezamenlijke vestiging minder dan drie jaar geduurd vóór het inleiden van de echtscheidingsvordering.

Deze cumulatieve toepassing van verschillende hypotheses is volgens de RvV in strijd met artikel 42quater §4, 1° Vw.

Bovendien is de RvV van oordeel dat de drie beëindigingsgronden in artikel 42quater §1, 4° Vw overeenstemmen met de hypotheses die het verblijfsrecht initieel hadden geopend, met name:

  • Het huwelijk of gelijkgesteld geregistreerd partnerschap
  • Het niet-gelijkgesteld geregistreerd partnerschap
  • Bloedverwanten in opgaande of neergaande lijn

Dat betekent dat DVZ geen einde kan maken aan het verblijfsrecht van een echtgenoot of partner die feitelijk gescheiden leeft van de Belg of Unieburger die het kwam vervoegen. Dat kan pas als het huwelijk ontbonden of nietig verklaard wordt en het (al dan niet gelijkgesteld) geregistreerd partnerschap beëindigd wordt. De mogelijkheid om het verblijfsrecht te beëindigen omdat familieleden niet langer gezamenlijk gevestigd zijn (en feitelijk volledig gescheiden leven) is uitsluitend toepasbaar op bloedverwanten in opgaande of neergaande lijn.

Deze zienswijze van de RvV is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (zie o.m. HvJ 30 juni 2016, C-115/15, NA, punt 47; HvJ 10 juli 2014, C-244/13, Ogieriakhi, punt 37; HvJ 8 november 2012, C-40/11, Iida; HvJ 13 februari 1985, 267/83, Diatta, punten 20-22) en met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (zie GwH 26 september 2013, nr. 121/2013, B.36.8).

Tot op heden blijft DVZ echter, ten onrechte, het verblijf beëindigen van derdelands echtgenoten of partners die feitelijk gescheiden leven van een Unieburger of Belg omdat ze niet meer “gezamenlijk gevestigd” zijn, terwijl hun huwelijk nog niet ontbonden of nietig verklaard werd of hun partnerschap nog niet beëindigd werd.