16 december 2016

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) verwierp een beroep omdat de verzoekende partij een processtuk niet met aangetekende brief naar de RvV stuurde. De Raad van State (RvS) verbreekt dit RvV arrest wegens overdreven formalisme.

De RvV verwierp een beroep omdat de verzoekende partij artikel 39/81, lid 4 van de Verblijfswet niet zou hebben gevolgd. Dit schrijft voor dat de verzoekende partij, binnen de acht dagen na de kennisgeving door de griffie van de RvV van de neerlegging van het administratief dossier, de griffie in kennis stelt of zij al dan niet een synthesememorie wil neerleggen. Volgens artikel 3, §1, lid 1 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 dat de rechtspleging voor de RvV regelt, moet dit gebeuren bij ter post aangetekende brief. Maar de verzoekende partij verstuurde de kennisgeving per gewone brief, binnen de voorziene termijn. Tegen het arrest van de RvV diende de verzoekende partij een cassatieberoep in bij de RvS.

Omdat de verzoekende partij de wens om geen synthesememorie neer te leggen via gewone brief tijdig had laten kennen, besluit de RvS dat die wens wel degelijk geldig is. De RvV mocht de sanctie van de vaststelling van afwezigheid van het vereiste belang voorzien in artikel 39/81, lid 4 van de Verblijfswet niet opleggen. Dit zou immers een onevenredige beperking van het recht op toegang tot een rechter zijn.