16 januari 2017

De familierechtbank van Brussel oordeelt in haar vonnis van 31 oktober 2016 dat een overeenkomst van draagmoederschap op zich niet noodzakelijk strijdig is met de openbare orde, maar dat is wel zo als de overeenkomst een bezoldigd karakter heeft. De overeenkomst bevat in dit geval bovendien bepalingen die een regelrechte inbreuk op de waardigheid van de zwangere vrouw uitmaken. De familierechtbank weigert daarom de erkenning van het Amerikaans vonnis dat de overeenkomst bekrachtigt.

Twee Belgische mannen sloten in 2013 een draagmoederovereenkomst met een draagmoeder uit Californië. Bij de geboorte van de twee dochtertjes, vestigt de rechter de vaderlijke afstamming in een vonnis. Om de afstamming ten opzichte van beide mannen in de geboorteakte te laten noteren, beveelt de Amerikaanse rechtbank tot het opstellen van twee opeenvolgende geboorteaktes. De eerste geboorteakte duidt de draagmoeder en één van de mannen aan als ouders. De tweede, vervangende geboorteakte wijzigt de naam van de moeder dan door de partner van de man.

Hoewel de tweede Amerikaanse geboorteakte beide mannen vermeldt als vader, weigert de gemeenteambtenaar in België de meisjes in te schrijven conform die akte. In de plaats daarvan schrijft hij de meisjes in als dochters van één van de mannen. Hierop dienen de vaders bij de familierechtbank een verzoek in om het Amerikaans vonnis en de twee daaruit voortvloeiende geboorteaktes te erkennen.

De rechtbank overweegt dat draagmoederschap weliswaar niet per definitie strijdig is met onze internationale openbare orde. Op zich is het immers niet verboden. Hier acht ze het draagmoederschap echter wél tegenstrijdig met de internationale openbare orde. De afgesproken vergoeding is namelijk zodanig groot dat het onmogelijk enkel een onkostenvergoeding kan zijn. Een aantal bepalingen van de overeenkomst vormen bovendien een inbreuk op de fundamentele rechten van de vrouw. De familierechtbank kan daarom het vonnis dat deze overeenkomst bekrachtigt  in zijn geheel niet erkennen.

Er zijn in de Belgische rechtsorde bovendien mogelijkheden om de afstamming op een andere manier vast te stellen, waardoor ook het recht op privé- en familieleven, ondanks deze weigering tot erkenning, gevrijwaard kan blijven.