10 februari 2017

De Verblijfswet (Vw) stelt vreemdelingen die een 9ter-aanvraag doen vrij van het aantonen van hun identiteit als zij een hangende asielaanvraag hebben. De Raad van State (RvS) oordeelt dat DVZ de identiteit in de gegrondheidsfase nog in vraag kan stellen, zeker wanneer de asielinstanties de identiteit in de loop van de asielprocedure in twijfel trekken.

De RvS oordeelde op 22 november 2016 dat het beroep tegen een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) hieromtrent kennelijk ongegrond en dus niet-toelaatbaar was. De verzoeker diende een 9ter-aanvraag in op het moment dat zijn asielaanvraag hangende was. Hij was daarom vrijgesteld van de zogenaamde documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde: hij moest zijn identiteit niet aantonen, zoals bepaald is artikel 9ter, §2, derde lid Vw. Terwijl het onderzoek naar de gegrondheid van de 9ter-aanvraag hangende was, sloot een arrest van de RvV de asielprocedure af. Zowel het CGVS als de RvV uitten ernstige twijfels over de nationaliteit van de betrokkene, in casu de Somalische. Daaropvolgend verklaart DVZ de 9ter-aanvraag ongegrond omdat een onderzoek naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de medische zorgen in het herkomstland onmogelijk is aangezien verzoeker in gebreke blijft zijn werkelijke land van herkomst kenbaar te maken.

De RvS verduidelijkte al eerder dat de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde moet beoordeeld worden op het moment van de 9ter-aanvraag. Maar de vrijstelling van de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde sluit volgens de RvS echter niet uit dat DVZ de nationaliteit en herkomst van de aanvrager nog kan onderzoeken in de gegrondheidsfase. Aangezien het cassatieberoep kennelijk ongegrond en dus niet-toelaatbaar verklaard werd, verduidelijkt de RvS haar zienswijze niet verder.