16 december 2016

Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) mag geen uitwijzingsbevel van 0 dagen vergezeld van een inreisverbod uitreiken wegens de loutere vaststelling van zwartwerk. DVZ moet rekening houden met de interpretatie van de notie ‘gevaar voor openbare orde’ door het Europese Hof van Justitie. DVZ kan bovendien geen EU-breed inreisverbod opleggen als de lidstaat die eerder een verblijfsrecht toekende aan de betrokkene niet bereid is dat verblijfsrecht in te trekken.

Dat concludeerde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) in arrest nr. 169.732 van 14 juni 2016. De RvV vernietigde:

  • het bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering (bijlage 13septies) en
  • het inreisverbod (bijlage 13sexies)
  • op basis van schending van de materiële motiveringsplicht en van de artikelen 74/11 en 74/14 van de Verblijfswet (Vw).     

Feiten

Bij een controle van de arbeidsinspectie op een werkplaats bleek een Braziliaanse vrouw met een geldige Portugese verblijfstitel niet in het bezit te zijn van een geldig paspoort en een arbeidskaart.

DVZ liet haar daarop betekenen:

  • een bijlage 13septies zonder termijn voor vrijwillig vertrek en
  • een bijlage 13sexies voor een periode van drie jaar.

Als reden voor de beslissingen gaf DVZ op dat betrokkene een actueel en misschien ook toekomstig gevaar was voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Ze was immers zonder geldig paspoort en arbeidskaart aan het werk.

Analyse RvV

Artikel 74/11, §1, eerste en tweede lid Verblijfswet (Vw) bepaalt dat de beslissing tot uitwijzing gepaard gaat met een inreisverbod van maximum drie jaar als onder meer geen enkele termijn voor vrijwillig vertrek is toegestaan.

De beslissing tot uitwijzing bepaalt volgens artikel 74/14, §3, 3° Vw een termijn van minder dan zeven dagen, ofwel geen enkele termijn als een derdelander een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid is.

Notie ‘gevaar voor openbare orde’

Om te kunnen besluiten tot ‘een gevaar voor de openbare orde’ moest DVZ volgens de RvV rekening houden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJ). Deze rechtspraak stelt dat:

  • per geval nagegaan moet worden of de persoonlijke gedragingen van de betrokkene een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen
  • er niet mag uitgegaan worden van een algemene praktijk of een vermoeden
  • er rekening gehouden moet worden met de persoonlijke gedragingen van de betrokkene en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde 
  • verdacht zijn van het plegen van een misdrijf of daarvoor veroordeeld zijn op zich niet voldoende is (HvJ, C-554/13 van 11/6/15)
  • er sprake moet zijn van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige dreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (HvJ, C-430/10 van 17/11/11)   

De RvV oordeelde dat de bewijslast bij DVZ lag. DVZ moest aannemelijk maken dat betrokkene een gevaar voor de openbare orde vormt.

  • De loutere vaststelling van zwartwerk volstaat niet om te besluiten tot ‘een gevaar voor openbare orde’.
  • DVZ mag de vaststelling van zwartwerk niet aangrijpen om ervan uit te gaan dat betrokkene zich waarschijnlijk ook in de toekomst hieraan zal bezondigen.   
  • DVZ moet afwegen in welke mate zwartwerk in het concrete geval beschouwd kan worden als:  
    • een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast of
    • een risico op een nieuwe schending van de openbare orde

Inreisverbod en verblijfstitel?

Volgens de RvV kon DVZ ook niet ‘zomaar’ een inreisverbod opleggen aan een derdelander met een geldige verblijfsvergunning van één van de lidstaten.

  • Een inreisverbod heeft een EU-brede werking. Dit betekent dat de toegang tot het grondgebied van alle lidstaten ontzegd wordt.
  • De lidstaat die een inreisverbod oplegt aan een derdelander met een geldige verblijfsvergunning van een andere lidstaat, moet volgens het Terugkeerhandboek van de Europese Commissie voorafgaand overleggen met de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgeleverd. Als deze laatste de verblijfstitel niet wil intrekken, moet de lidstaat het inreisverbod intrekken.  

DVZ had ten onrechte geen of onvoldoende rekening gehouden met de Portugese verblijfstitel van betrokkene en had kennelijk geen overleg gepleegd met de Portugese autoriteiten.

De RvV besloot dat DVZ in de bestreden beslissingen zijn materiële motiveringsplicht en de artikelen 74/11 en 74/14 Vw schond. De RvV vernietigde daarom de beslissingen.   

Volgens artikel 25, lid 2 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990 kunnen de lidstaten de betrokkene op hun nationale signaleringslijst plaatsten wanneer de lidstaat die het verblijfsrecht toekende niet bereid is het in te trekken.