17 januari 2017

Op 15 december 2016 sprak de grote kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zich uit over het beroep dat Italië indiende tegen de veroordeling van 1 september 2015. Enerzijds bevestigt de Grote Kamer de veroordeling voor de onwettige detentie van Tunesische migranten die de Italiaanse autoriteiten in mensonterende omstandigheden vasthielden in een zogenaamd opvangcentrum op Lampedusa en op een schip in de haven van Palermo. Anderzijds hervormde de Grote Kamer de veroordeling voor de collectieve uitzetting van de verzoekers naar Tunesië. Hoewel de autoriteiten nalieten de individuele situatie van de betrokkenen te onderzoeken, konden de betrokkenen wel individueel bezwaren uiten. In dit geval is er geen sprake van collectieve uitzetting.

Over het verbod op willekeurige detentie

Het EHRM verduidelijkt haar rechtspraak over feitelijke detentie in de context van een migratiecrisis:

  • Feitelijke vrijheidsberoving als gevolg van onduidelijke wetgeving, waarover geen rechtelijke controle mogelijk is, is in strijd met het doel van artikel 5 van het EVRM: het verbod op willekeurige detentie. Een migratiecrisis kan daarvoor geen verantwoording bieden. De autoriteiten hielden de verzoekers vast in een opvangcentrum en vervolgens op een schip. Het feit dat de overheid deze classificeert als een open opvangcentrum en niet als een detentiecentrum doet hier niet ter zake. De omstandigheden wezen er immers op dat het om een vasthouding ging, zonder wettelijke basis (schending artikel 5 §1 EVRM).
  • De autoriteiten moeten migranten die ze opsluit snel en correct informeren over de redenen voor de opsluiting. Bij gebreke aan duidelijke wettelijke basis voor deze detentie, is snel en correct informeren onmogelijk (schending artikel 5 § 2).
  • Personen die worden opgesloten moeten over een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikken om de wettigheid van de detentie te laten beoordelen. Omdat de verzoekers geen informatie kregen over de redenen van hun detentie, beschikken zij ook niet over een daadwerkelijk rechtsmiddel om de detentie aan te vechten (schending artikel 5 § 4).

Over het verbod op collectieve uitzetting

De Grote Kamer oordeelt dat geen sprake is van een collectieve uitzetting (artikel 4, Protocol 4 bij het EHRM), in tegenstelling tot wat het EHRM in eerste aanleg vast stelde. De Grote Kamer oordeelt dat het feit dat alle verzoekers een gelijkaardige beslissing kregen, niet automatisch betekent dat het om een collectieve uitzetting gaat, voor zover elke persoon de mogelijkheid krijgt om op individuele basis zijn bezwaren te formuleren tegen de uitzetting. Het EHRM verduidelijkt daarbij dat artikel 4 van Protocol 4 geen onbeperkt recht op een persoonlijk interview inhoudt, maar dat de daadwerkelijke mogelijkheid om bezwaren te formuleren tegen de uitzetting volstaat. De verzoekers ondergingen twee maal een identificatie procedure en de autoriteiten stelden hun nationaliteit vast. Tijdens die momenten hadden ze bezwaren kunnen opwerpen.

Daarenboven oordeelt het EHRM hier dat er geen schending is van recht op een daadwerkelijke rechtsmiddel (artikel 13 EVRM). Het feit dat het beroepsmiddel niet opschortend was, vindt het EHRM niet problematisch aangezien de verzoekers zich niet beriepen op een mogelijke schending van artikel 2 of 3 in hun land van herkomst. 

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen