19 december 2016

De Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelt dat het plegen van ernstige misdrijven Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) niet vrijstelt om de medische situatie van een ernstig zieke aanvrager te beoordelen in het licht van artikel 3 EVRM. Het EHRM bepaalt ook dat DVZ de impact op zijn familieleven in het licht van artikel 8 EVRM moet onderzoeken.

 

Feiten

De Georgische verzoeker verblijft met zijn vrouw en drie kinderen sinds 1998 in België. Hij wordt verschillende keren veroordeeld voor diefstal, diefstal met geweld, en lidmaatschap van een criminele organisatie. In de gevangenis krijgt hij de diagnoses tuberculose, hepatitis C en chronische leukemie. In België onderging hij een specifieke behandeling voor leukemie, die in Georgië niet beschikbaar is. Zijn vrouw en kinderen kregen een onbeperkt verblijfsrecht op basis van artikel 9bis Verblijfswet (Vw). Hij vroeg verschillende keren zonder succes de medische regularisatie op basis van artikel 9ter Verblijfswet (Vw). DVZ wijst de aanvragen af met toepassing van artikel 9ter, §4 Vw, dat onder meer vreemdelingen die verdacht worden van ernstige misdrijven uitsluit. In die omstandigheden meende DVZ het medische bewijs niet te moeten beoordelen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) volgt deze redenering. Het bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) dat met de afwijzing gepaard ging, werd door de medische situatie nooit uitgevoerd. Volgens de RvS zouden de medische elementen pas bij de uitvoering van het bevel beoordeeld moeten worden.

 

Artikel 3 EVRM vereist grondige beoordeling medische situatie

Hoewel verdragstaten soeverein de toegang, verblijf, vestiging en uitwijzing van hun grondgebied bepalen, moeten zij rekening houden met artikel 3 EVRM. Verzoekers kunnen dit artikel niet aanwenden om te blijven genieten van medische, sociale of enige andere vorm van voordelen die zij genieten in de uitwijzende staat. Maar in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan de uitwijzing van een ernstig zieke verzoeker naar een land waar de medische zorgen minder goed zijn, in strijd zijn met artikel 3 EVRM. De Grote Kamer stelt zeer uitzonderlijke omstandigheden vast wanneer:

  • de verzoeker op sterven ligt
  • de verzoeker blootgesteld wordt aan een serieuze, snelle en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand, leidende tot intens lijden of een significante vermindering in levensverwachting.

De nationale staten moeten procedures inrichten die toestaan te beoordelen of uitzonderlijke omstandigheden bestaan. De gezondheidsinformatie enkel beoordelen wanneer de uitvoering van de uitwijzing imminent is, dus bij de uitvoering van het BGV, volstaat niet.

De uitwijzende lidstaat moet case-by-case oordelen of de behandeling toereikend en geschikt is in de praktijk om de specifieke ziekte te behandelen.:

De autoriteiten dienen zich er vooral van te verzekeren dat de verzoeker een daadwerkelijke toegang geniet, daarbij is relevant:

  • De kosten van de medicatie en behandeling
  • Het sociaal en familiaal netwerk
  • De reistijd om toegang tot de zorg te krijgen

In geval van ernstige twijfel of aan de voorwaarden voldaan is, kan de uitwijzende staat als voorwaarde voor de uitwijzing individuele garanties vragen aan het herkomstland dat de zorg beschikbaar en toegankelijk zal zijn.

 

Artikel 8 EVRM vereist onderzoek impact van de uitwijzing in het licht van gezondheid

Het EHRM oordeelt dat de Belgische autoriteiten ook de impact van de uitwijzing op het recht op een privé, familie- en gezinsleven in het licht van zijn gezondheid moesten onderzoeken. Onderzocht moet worden of:

  • de familie de verzoeker redelijkerwijze kon volgen naar Georgië, of
  • artikel 8 EVRM vereist dat de verzoeker een verblijfsrecht zou krijgen voor de tijd die hij nog te leven had.