7 maart 2017

De maximale behandelingstermijn van zes maanden voor een aanvraag gezinshereniging van een derdelands familielid van een Belg of Unieburger, is in alle gevallen een vervaltermijn. Ook als het familielid niet alle vereiste documenten overmaakte binnen de drie maanden na de aanvraag. De gemeente moet de aanvraag dan weigeren met een bijlage 20. Deze weigering van de gemeente moet, net als de weigeringsbeslissing ten gronde van Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), plaats vinden binnen de zes maanden na de aanvraag. Neemt de gemeente of DVZ geen (weigerings)beslissing binnen de zes maanden, dan heeft het familielid recht op een F kaart. Dat verduidelijkt de Raad van State (RvS) in een cassatie-arrest van 17 januari 2017.

In dit geval had de gemeente pas na zes maanden een bijlage 20 afgeleverd omdat het familielid niet alle bewijsstukken overgemaakt zou hebben binnen de drie maanden na de aanvraag. Volgens de gemeente, daarin gevolgd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV), is het gemeentebestuur enkel gebonden door een minimumtermijn van drie maanden maar is er nergens een maximumtermijn van zes maanden voorzien. Die termijn zou alleen gelden voor DVZ bij de behandeling van de aanvraag ten gronde. De Raad van State volgt deze redenering niet. Volgens de RvS volgt uit rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (GwH) dat de behandelingstermijn in artikel 42 van de Verblijfswet een vervaltermijn is, ongeacht wie de beslissing neemt (DVZ of gemeente) en ongeacht of het een erkennings- of weigeringsbeslissing betreft.