Grondwettelijk Hof
3/2012
Prejudiciële vraag – art. 10 , 11 Gw. – art. 191 Gw. – art. 14 EVRM – art. 1 aanv. Prot. EVRM - Art. 4 Wet Tegemoetkomingen Gehandicapten – personen in vreemdelingenregister geen recht – personen in bevolkingsregister wel recht – minder sterke band met België – niet onevenredig – recht op maatschappelijke dienstverlening – rekening met handicap – geen schending

Het Hof volgt hier een redenering analoog aan deze gevolgd in het arrest nr. 153/2007 van 12 december 2007. Hieruit blijkt dat artikel 4 van de Wet Tegemoetkoming Gehandicapten gelezen in samenhang met het Koninklijk Besluit van 17 juli 2006, geen discriminatie inhoudt, door het toepassingsgebied van de wet niet uit te breiden tot vreemdelingen die, een toelating of een machtiging hebben om in het Koninkrijk te verblijven voor een duur van meer dan drie maanden en in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven. Het administratief statuut van deze personen toont immers aan dat zij een band hebben met België die de wetgever als minder sterk kon beschouwen dan die welke de personen die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven, hebben. De gevolgen van die onderscheid zijn niet onevenredig. De vreemdeling aan wie de tegemoetkoming voor gehandicapten wordt geweigerd, kan immers in voorkomend geval aanspraak maken op de maatschappelijke dienstverlening waarbij met zijn handicap rekening wordt gehouden.